Bij leveranties van duikboten aan Taiwan ook economische relatie met China verbeteren; Nederland mag Chinese vis niet laten zwemmen

Na het recente bezoek van een Taiwanese delegatie aan de RDM-werf in het Waterweggebied zei voorzitter H. Vos van de Vaste Tweede Kamercommissie voor economische zaken dat “we een indringende discussie, niet alleen economisch maar ook politiek” moeten voeren over het in 1984 ingestelde exportverbod van militair-strategisch materieel naar Taiwan. Bij die vraag gaat het niet alleen om mogelijke toestemming voor de levering van misschien wel zes Walrus-duikboten aan Taiwan, maar ook om tussenoplossingen. Zo zijn er al constructies gesuggereerd voor overheveling van mankracht en expertise van RDM naar Taiwan en voor levering van componenten die niet binnen de termen van het exportverbod vallen.

Maar de hamvraag is natuurlijk hoe de Volksrepubliek China daarop zou reageren. Bij ons denken over de verhouding tot China en Taiwan betrekken we vanzelfsprekend ook het verminderde politieke prestige van China sinds Tiananmen, de daarop volgende Westerse sancties en de omverwerping van socialistische dictaturen in Oost-Europa. Enerzijds is Taiwan liberaler geworden en is dit economisch en cultureel steeds actievere eiland, overzee in achting gestegen.

Toch is het verkeerd die politieke waardering van het moment als toetssteen te gebruiken. Immers, de sancties ten aanzien van China zijn formeel beëindigd, de communistische regering van China (resultaat van een eigen revolutie, niet van bezetting door het Rode Leger) wordt door Nederland al sinds 1950 erkend en de KMT-regering op Taiwan vertoont nog steeds een aantal dictatoriale trekken.

Even goed als bij ontwikkelingshulp moet het wapenleverantiebeleid vooral ook de belangen op middellange en lange termijn in de gaten houden. De afweging voor- en nadelen van leverantie van duikboten aan Taiwan moet worden gebaseerd op rechtmatigheid (naar Nederlandse wet), effecten op vrede en veiligheid in de regio (al lijkt het uitgesloten dat Nederland bij een toekomstig conflict partij zal zijn), het economische belang van de levering voor RDM en de Nederlandse staat èn de te verwachte negatieve en positieve gevolgen voor de betrekkingen van Nederland met de Volksrepubliek China en Taiwan.

De kwestie kan niet simpelweg worden afgedaan met het volkenrechtelijk argument dat Taiwan door de Verenigde Naties en door Nederland niet is erkend en de Volksrepubliek China, die Taiwan als een provincie beschouwt wel. In 1980 heeft Nederland onder dezelfde volkenrechtelijke omstandigheden de leverantie van twee onderzeeërs wel toegestaan. Bovendien heeft de Volksrepubliek China in 1979 - als onderdeel van haar overeenkomst met onze NAVO-partner, de Verenigde Staten over diplomatieke erkenning - zich akkoord verklaard met voorgezette, weliswaar op termijn “as the tension in the area diminishes” verminderende, militaire leveranties aan Taiwan.

In haar geheime en openlijke toenaderingspogingen tot de regerende Kuomintang heeft de Volksrepubliek herhaaldelijk aangeboden dat bij een hereniging van China het Taiwanese leger intact zou mogen blijven. Hiermee heeft China indirect aangegeven dat bij een verenigd China het monopolie op gewapende macht niet uitsluitend bij de Volksrepubliek hoeft te liggen. In de overeenkomst met Groot-Brittannië over Hongkong zit dat ook besloten. De VS en Frankrijk hebben onlangs ook weer militair materieel (vliegtuigen en fregatten - offensievere wapens dan duikboten) aan Taiwan geleverd of het voornemen daartoe uitgesproken, zonder dat daarop Chinese sancties zijn gevolgd. Die landen tillen dus kennelijk niet zo zwaar aan het formele volkenrechtelijke argument.

Bij de ontwikkelingen in de Baltische staten, in de Sovjet-Unie en in Joegoslavië heeft Nederland terecht vastgehouden aan het uitgangspunt dat er geen wapens aan strijdende partijen worden geleverd, ongeacht de vraag of dat formeel erkende regeringen zijn. Het wezenlijke argument in Nederlands exportbeleid is dat wapenleveranties de vrede niet in gevaar mogen brengen en dus niet naar spanningshaarden mogen gaan. Dat Taiwan geen offensieve bedoelingen tegen de Volksrepubliek China heeft en - gezien de onderlinge krachtsverhoudingen - ook niet kan hebben is duidelijk genoeg. De duikboten hebben dan ook een defensieve functie. Ze zullen er hooguit toe dienen dat de Volksrepubliek meer en langduriger militaire voorbereidingen moet treffen om overzee troepen en materieel tegen de Kuomintang-regering op Taiwan in te kunnen zetten.

Afhankelijk van hoe men de militaire krachtsverhoudingen en toekomstige politieke prioriteiten beoordeelt, kan men de levering van duikboten dus beschouwen als een bijdrage tot conflictbeheersing en verhoging van de drempel van een gewapend treffen. In het afgelopen decennium heeft de Volksrepubliek verschillende malen beklemtoond dat zij zich het recht voorbehoudt te zijner tijd gewapenderhand een hereniging met Taiwan af te dwingen. Echter, de nadruk in het buitenlands beleid lag en ligt op vreedzame toenadering. En de praktijk van groeiende wederzijdse handel, investeringen en uitwisseling van familieleden, delegaties en journalisten heeft dit beleid ook structuur gegeven.

Niets wijst erop dat dit in het komend decennium zal veranderen. Integendeel, de integratie met Hongkong in en na 1997 zal een groot beroep doen op de Chinese vermogens - en die zijn zeer groot - tot vreedzame samenwerking in wederzijds belang. De Oostaziatische regio is geen spanningshaard, maar een gebied waar regeringen en bevolkingen (in samenwerking met het Westen) al vele jaren en met succes hun prioriteit hebben gelegd bij maximale economische groei.

Niet bekend

De Tweede Kamercommissie voor economische zaken heeft de plicht een en ander uiterst zorgvuldig na te gaan en te bezien of dit economisch deelbelang, plus de verbeterde economische relatie met Taiwan, opweegt tegen de te verwachten negatieve effecten in de relaties met China. Het slechtst denkbare scenario is dat, waarbij Nederland om politieke redenen de leveringen tot een minimum reduceert, maar China toch tot sanctiemaatregelen overgaat. Dan zitten we met een Walrus zonder vis. Als Nederland een koopmansland wil zijn dat het om de vis gaat, dan moet het ook die rol inhoud geven en voor China overtuigend spelen.

In hoeverre zou Nederland geschaad kunnen worden door Chinese sancties en wat voor soort sancties zijn er te verwachten? In de eerste plaats moet men met droefenis constateren dat de beide landen tot nu toe in cultureel en economisch opzicht nog heel weinig voor elkaar betekenen. Cultureel is dat begrijpelijk door zowel de taalkloof als door de politieke barrière. Maar economisch? Er zijn vele redenen, zowel zakelijke als humanitaire voor meer ontwikkelingshulp en exportsteun door de Nederlandse overheid aan China. Wie de rampzalige overstromingen van deze zomer heeft gezien of bekend is met de Chinese agro-industrie en vervoerssector, weet dat Nederlandse kennis en technologie in China uitermate welkom zijn en doelmatig kunnen worden ingezet.

Het gebrek aan een actieve economische China-politiek is een gedeeltelijke verklaring voor het gemak waarmee China na de levering van 1980 aan Taiwan tot sancties kon overgaan. Die situatie is niet veranderd. We kunnen er niet op rekenen dat China ons op dezelfde voet zal behandelen als bijvoorbeeld Frankrijk dat bijdraagt tot de ontwikkeling van Chinese kerncentrales. De Nederlandse handel met China is van dezelfde omvang als die met Taiwan en de winstgevendheid ervan is niet groot. Omdat Nederland tweemaal zoveel uit China importeert ernaar exporteert, zou China bij bemoeilijking van de handel zichzelf ook benadelen, maar omdat het geen essentiële produkten of kennis zal het land een conflict niet uit de weg gaan. Voor Nederlandse bezittingen in China (joint ventures van voornamelijk Philips met Chinese staatsbedrijven) en investeringen valt weinig te vrezen.

De Chinese regering heeft zich gecommitteerd aan een voortgaande verbetering van het investeringsklimaat voor buitenlandse bedrijven en zal haar goede internationale reputatie niet willen verspelen. Bovendien leveren sommige van deze joint ventures, bijvoorbeeld in de telecommunicatie, essentiële technologie. Economische sancties zullen dus kunnen liggen op de gebieden van handel, diensten en sommige nieuwe investeringen. Politieke en culturele sancties waren het eerste, want gemakkelijkste middel waarnaar China en Nederland in de vroege en late jaren tachtig grepen. De internationaal gebruikelijke formele duur van zulke sancties is anderhalf of twee jaar, maar de doorwerking duurt langer.

Sancties plegen beide partijen te schaden en dat zou ook nu weer het geval zijn. Paradoxaal genoeg: als de Nederlandse regering de risico's van sancties op een over enige tijd te nemen besluit wil beperken, zou het er goed aan doen zijn banden met China nu zo snel mogelijk te versterken en hulp aan China op essentiële terreinen te vergroten. Niet uit berekening dat verhoging van de Nederlandse inzet de Chinese regering zou doen terugdeinzen voor sancties, maar omdat de Chinese buitenlandse politiek gekenmerkt wordt door bedachtzaamheid en zorgvuldige afweging.

Wij zullen nu moeten aantonen dat wij begrip hebben voor China's noden en dat wij een evenwichtige politiek willen voeren waarbij de economische aspiraties van een land van meer dan een miljard mensen zwaar tellen.