Arbeidsparticipatie kernthema jaren '90

In de tweede fase van het Nationale Economiedebat worden de komende zaterdagen op deze plaats in de krant negen thema's belicht. Ze zijn ontleend aan de uitkomst van de afgelopen zomer gehouden enquête, waarmee de discussie over de vitaliteit van de Nederlandse economie werd gestart. Vandaag: arbeid en arbeidsmarkt.

Wanneer tien jaar geleden zou zijn gevraagd naar de grootste knelpunten in de Nederlandse economie dan had de hoogte van de elektriciteitsprijs ongetwijfeld heel hoog gescoord. Nu hoor je daar vrijwel niemand meer over.

De deelnemers aan de enquête van afgelopen zomer gaven het thema "arbeid en arbeidsmarkt' een zeer prominente plaats. Zou dat ook zijn gebeurd als de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR) niet begin dit jaar een studie over arbeidsparticipatie in de jaren '90 had uitgebracht?

Nederland is ziek!, sprak premier Lubbers twee jaar geleden. Door arbeid kan het beter worden, luidde, geparafraseerd, het antwoord in het WRR-rapport "Een werkend perspectief'. Arbeid is een eigenaardig medicijn, schreef de (cultuur)filosoof H. Achterhuis. Nadat het een paar eeuwen geleden met geweld massaal als geneesmiddel werd voorgeschreven, heeft het volgens hem op zijn zachtst gezegd tot vreemde verslavingsverschijnselen geleid. Maar het alternatief - loslaten van het uitgangspunt dat arbeid verricht behoort te worden om in het levensonderhoud te voorzien - bestaat niet voor Nederland, aldus de WRR. Want dan zou het gauw wegspoelen.

De arbeidsparticipatie in Nederland is laag. Per 100 inwoners tussen de 15 en 65 jaar verrichtten (in 1988) 59 mensen betaald werk. Op het eerste gezicht verschilt dat niet zo gek veel van de participatiegraad in omringende landen als België, Duitsland en Frankrijk. (In Groot-Brittannië ligt ze met 69 beduidend hoger.) Maar als wordt gecorrigeerd voor deeltijdbanen dan telt Nederland op Spanje na het geringste aantal "arbeidsjaren' per 100 volwassenen en loopt de achterstand op de buurlanden aanzienlijk op.

Officieel streeft het Nederlandse sociaal-economische beleid volledige werkgelegenheid na. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog zorgde een breed gedragen "kostwinners- en gezinsfilosofie' ervoor dat dit doel bij een relatief lage participatie toch kon worden bereikt. Mede als gevolg van de voorschrijdende individualisering is echter een steeds hogere participatiegraad nodig om de werkloosheid binnen aanvaardbare proporties te houden. Een probleem dat bij de (voor de komende jaren) verwachte afname van de groei van de werkgelegenheid alleen maar nijpender wordt.

Een samenleving die niet (langer) gedoogt dat een substantieel deel van het arbeidsaanbod als "overtollig' wordt weggestopt achter coniferen of in soepel toegepaste regelingen omtrent ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, moet veel listen verzinnen. Het minimumloon heeft heel wat simpele maar arbeidsintensieve banen uit onze economie weggesaneerd, maar werk is er genoeg. Vraag het maar na bij de reinigingsdiensten, in de scholen of de verzorgingstehuizen. Maar of dat het werk is dat wordt gezocht of dat zodanig is geprijsd dat er meer animo voor komt?

De groei van de Nederlandse werkgelegenheid behoorde de afgelopen jaren tot de hoogste van de westelijke wereld. In 1990 werkten volgens de onlangs verschenen Rapportage arbeidsmarkt van Sociale Zaken 700.000 mensen méér dan vijf jaar daarvoor. Elk uur in al die jaren kwamen er meer dan 15 banen bij. Daarbij was de banengroei rond minimumloonniveau ongeveer drie keer zo groot als de groei van de total werkgelegenheid.

Toch bleef de werkloosheid hoog. De "geregistreerde werkloosheid' (ingeschreven bij het arbeidsbureau, zonder betaald werk en op zoek naar een baan van meer dan 20 uur per week) bedroeg vorig jaar gemiddeld 346.000 personen. Wordt het aantal "werkzoekenden zonder baan' als maatstaf genomen, dan waren het er nog 170.000 meer. Een aantal waar 190.000 "volledig arbeidsongeschikt' verklaarde mensen bij opgeteld zouden kunnen worden als het begrip "passende arbeid' wordt verruimd.

Zouden zij van herverdeling van arbeid soelaas kunnen verwachten? Op langere termijn zijn de veranderingen hier indrukwekkend. Sinds eind vorige eeuw is de gemiddelde werkweek in de industrie bijna gehalveerd. En tussen 1960 en 1990 is het gemiddelde "arbeidsjaar' verkort van 2307 naar 1740 uur. De actuele periode van bescheiden economische groei biedt echter geen stimulerend klimaat voor verder succes op korte termijn.

Daardoor dreigt de sinds 1975 gestaag gestegen deelname van vrouwen aan betaald werk te stagneren. Hun participatiegraad (54 procent) ligt weliswaar nog aanzienlijk onder die van mannen (81 procent), maar geraakt geleidelijk op Belgisch en Duits peil. Al moet daarbij wel worden aangetekend dat het aandeel van vrouwen in deeltijdbanen internationaal gezien het hoogst is in Nederland, zodat aan hun toegang tot volwaardige betaalde arbeid nog veel schort. Bovendien is het vermoeden gewettigd dat inschakeling van (meestal vrouwelijke) deeltijdwerkers problemen camoufleert die verband houden met een geringe kwaliteit van het werk (weinig motivatie, hoog verzuim).

Opmerkelijk is, ten slotte, dat er - ondanks de dominante positie van werkgevers op de arbeidsmarkt en ondanks hun aanhoudende druk op "lossere' arbeidsrelaties - van flexibilisering van de arbeid niet zo bijster veel terechtkomt. Zij zou meer banen op kunnen leveren, maar dat zou onvermijdelijk ook uitmonden in "de-calvinisering' van het weekeinde. En dat is kennelijk een taboe te ver.