Wöltgens: oppositie had geen alternatief; Lof voor Bolkestein die discussie over minderheden lostrok

DEN HAAG, 10 OKT. Het sigaartje tussen de vingers geklemd en in een wolk van rook ijsbeert PvdA-fractievoorzitter Thijs Wöltgens door zijn werkkamer: hij evalueert de algemene en politieke beschouwingen. Zijn betoog wordt onderbroken door het rinkelen van de telefoon. Hij neemt de hoorn op, en legt hem een paar seconden later weer neer. “Een WAO-demonstrant”, zegt hij vergoelijkend en werpt een blik op zijn horloge, “een volhoudertje”. Het is bijna twee uur in de nacht. “Ik heb er vandaag niet veel last van gehad, maar thuis in Kerkrade ging de telefoon wel wat vaker.”

De fractievoorzitter van de PvdA typeert de algemene beschouwingen als mat en rustig. “De reden daarvoor is dat de belangrijkste politieke opwinding zich al had voltrokken in het debat over de WAO.” Daarnaast heeft het opmaken van de Tussenbalans in februari al “veel gras voor onze voeten weggemaaid”. Het kabinet kreeg toen van CDA en PvdA het groene licht voor een ombuiging van 17 miljard gulden in deze kabinetsperiode.

“En als je het mij op de man af vraagt: de oppositiepartijen zijn er niet in geslaagd een heel andere - consistente - beleidsvisie neer te leggen. De VVD kon bijvoorbeeld niet duidelijk aangeven hoe haar alternatief zou worden gefinancierd. Als ze dat wel hadden gedaan, dan zou het debat aan scherpte hebben gewonnen.”

Wöltgens vindt dat de fracties van VVD en D66 nog iets van de PvdA kunnen leren. “Ik ben zelf veertien jaar lid geweest van de oppositie, en wij voerden oppositie. We zetten duidelijk een heel andere lijn: een alternatief.”

Zijn de politieke partijen in Nederland zo naar elkaar toegegroeid dat er geen alternatief meer is? De PvdA-fractievoorzitter fronst de wenkbrauwen. “Ik wil me niet onnodig tegen de VVD afzetten, maar als ik zie waar ze het geld voor hun plan vandaan halen - bijvoorbeeld bij ontwikkelingssamenwerking en milieu - dan staat dat haaks op de PvdA-visie.”

Waardering heeft Wöltgens voor het feit dat VVD-fractievoorzitter Bolkestein de discussie over etnische minderheden “heeft losgetrokken”. Hij vreesde aanvankelijk dat de opmerkingen van de VVD-leider over migranten zouden leiden tot misverstanden. Maar de PvdA-fractievoorzitter toont zich ingenomen met de uitspraak van Bolkestein dat “de democratische partijen geen winst moeten halen uit onlustgevoelens zoals die her en der aan borreltafels worden geuit”. Daar zouden alle democratische partijen schade van ondervinden, meent Wöltgens.

De fractievoorzitter steekt een nieuwe sigaar op en begint weer te ijsberen. “Ik geloof in de universele waarden: alle mensen willen graag zelf over hun leven beslissen. Dat is een menselijke behoefte of je nu Chinees bent of in Oost-Europa woont.

“Integratie betekent niet volledige aanpassing. Als Limburger heb ik nog altijd een zachte g - en dat wil ook houden, daarover geen misverstand, ook al verdien ik mijn brood in de Randstad. De samenleving is een pallet van diverse culturele invalshoeken en dat is veel interessanter dan een samenleving waar mensen zich cultureel helemaal hebben geschikt.”

“Als er culturele verschijnselen zijn, die in strijd zijn met de waarden die in onze samenleving bestaan, zoals het naar school gaan of zelf kiezen van een huwelijkspartner, dan ben ik het volstrekt met Bolkestein eens.”

Maar via welke weg moet het proces van integratie worden gerealiseerd: de individuele benadering of emancipatie in eigen groep?

“Je kunt niet een "of-of'-situatie creëren. In Nederland is de emancipatie van de verschillende groepen via de zuilen gegaan en daarna zijn die zuilen ingestort. Ik kan me dus voorstellen dat mensen eerst hun heil zoeken in de eigen groep. Dat moet je accepteren, dat is hun keuze want daar voelen ze zich thuis. In dat geval moet je met de leiders van de groep praten.”

“Daarnaast heb je natuurlijk nog mensen uit de groep die zich persoonlijk vrij willen maken, die hun eigen weg willen gaan. Groepsvorming moet dan niet beknellend zijn en tot een eigen cultureel eiland leiden. De regels van de groep zijn mooi, maar belangrijker zijn de regels van onze samenleving. Een groep kan middel zijn om emancipatie op gang te brengen. Maar als het individu uit de groep treedt, en vervolgens moeilijkheden krijgt met die groep, dan moet de Nederlandse samenleving erop toezien dat hij zijn eigen weg kan gaan.” De PvdA-fractievoorzitter steekt zijn waardering voor de liberale oppositieleider niet onder stoelen of banken.

Naast het migrantenbeleid stond ook het sociale verzekeringsstelsel centraal bij deze Algemene Beschouwingen. Over de mogelijkheden om de kabinetsplannen ten aanzien van WAO “bij te schaven” is de PvdA-fractievoorzitter “niet pessimistisch”. Zowel CDA als PvdA studeren intensief op de mogelijkheid om voor de zogenoemde onomkeerbare gevallen het kabinetsplan aan te passen. “Ik vraag me af hoe je een onomkeerbaar geval definieert. Wanneer is iemand net wél of net niet geschikt voor de arbeidsmarkt? Die grens is moeilijk te trekken.”

De PvdA-fractie wil daarnaast dat de bevriezing van de WAO-uitkering “ter discussie komt” als er een cesuur is in de ontwikkeling van het aantal WAO'ers. “De omslag moet dan zodanig zijn dat de doelstelling van het regeerakkoord in zicht komt.” Deze doelstelling gaat ervan uit dat het aantal arbeidsongeschikten wordt teruggebracht naar het niveau van 1989.

Wöltgens kan de relatief vage omschrijving niet concretiseren. “Ik wil geen valse verwachtingen wekken. Opvallend is dat ik bij het PvdA-congres het meeste applaus kreeg toen ik zei dat we geen verwachtingen moeten creëren die we niet waar kunnen maken.”

Om de bevriezing te voorkomen moeten er minder mensen in de WAO belanden. Tot nu toe vindt Wöltgens dat de uitvoeringsorganisaties “relatief buiten schot” zijn gebleven. Om de instroom van het aantal arbeidsongeschikten met 10.000 per maand een halt toe te roepen, zouden ook de uitvoeringsorganisaties strenger moeten worden gecontroleerd. “Deze organisaties hebben te weinig "prikkels'. Er zou onafhankelijk toezicht moeten komen om ze te controleren, geen administratieve controle maar een beleidsmatige - met als leidraad: doet de uitvoeringsorganisatie er echt alles aan om iemand uit de WAO te houden?”

De "black box' van het volumebeleid zou dan kritischer worden bekeken. Tot nu toe heeft het CDA weinig heil gezien in een dergelijke aanpak, maar er is een kentering zichtbaar, meent Wöltgens. “De uitvoeringsorganisaties van de WAO vallen onder de directe verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Maar de overheid kan niet lijdzaam toezien, dat deze organisaties niet optimaal functioneren. En nu druk ik mij nog diplomatiek uit.”

De PvdA-fractievoorzitter verwacht niet dat de discussie over het nieuwe sociaal-zekerheidsstelsel zal resulteren in een "blauwdruk-denken'. “Met kleine stapjes moeten we vooruit. Maar ik moet eerlijk zeggen dat de systematiek van het nieuwe WAO-systeem mij aanspreekt: een uitkering van 70 procent, en daarna een uitkering waarvan de hoogte afhankelijk is van leeftijd en arbeidsverleden. Ik denk dat het resultaat van het debat over herziening van het sociale stelsel hier niet veel van zal afwijken”.

Ook over de "nieuwe overheid' waagt Wöltgens zich niet aan een blauwdruk. “Dat worden ook kleine stapjes. Maar de algemene politieke beschouwingen van 1991 zouden wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een mijlpaal op dit gebied. De vorderingen die zijn gemaakt op het gebied van "grote efficiency' en het overbrengen van rijkstaken naar provincies en gemeenten zijn zo veelbelovend dat we al bespiegelingen durven te houden over minder departementen.”

Minister-president Lubbers wil in deze kabinetsperiode een “aanzet geven” voor het samenvoegen van departementen. CDA-fractievoorzitter Brinkman opperde al het idee om Verkeer en Waterstaat en VROM samen te voegen evenals Justitie en Binnenlandse Zaken.

“De indeling naar departementen moet overeenkomen met de kerntaken van de overheid. Beleidsterreinen worden niet automatisch beter gecoördineerd als ze worden ondergebracht in één ministerie. Ook daar dreigt verkokering. Het is belangrijk dat op ministeries politiek verantwoordelijke mensen aanspreekbaar blijven. Dan moet je geen "mammoetministeries' maken waarbij je niet meer kunt volhouden dat een minister nog in volle omvang verantwoordelijk is.”