Wil naar mijn smeekstem horen, merk op mijn jammerklacht

Eeuwenlang was het de gewoonte om dominees op nieuwjaarsdag een "Opz'ndaaltje' toe te zingen, alias psalm 134 vers 3: "Dat 's Heren zegen op u daal'. Maarten 't Hart bezocht de expositie over Psalmzingen die in de Vrije Universiteit in Amsterdam te zien is. “Vroeger kon ik al die psalmen moeiteloos tot het laatste woord toe zingen. Nu krijg ik na één regel een brok in mijn keel en na twee regels ben ik in tranen.”

Expositie: Psalmzingen in de Nederlanden. Hoofdgebouw Vrije Universiteit, De Boelelaan 1105, Amsterdam. T-m 23 nov. Ma-vrij, 10-18 u.

Laatst zei ik tegen een vriendin dat ik de tentoonstelling Psalmzingen in de Nederlanden wilde bezoeken. Spontaan barstte zij in gezang uit. “Daar ruist langs de wolken”, zong zij. “Stop”, riep ik, “dat is geen psalm, dat is een gezang.” Abrupt brak ze af bij "liefelijke naam', en zong meteen verder: “Scheepje onder Jezus' hoede.” “Halt”, riep ik, dat is ook geen psalm, dat is ook een gezang, of zoals het tegenwoordig heet een "lied'.”

Het is eigenaardig, maar de meeste mensen weten amper wat psalmen zijn. Alle geestelijke liederen worden door hen op één hoop gegooid: psalmen. Maar echte psalmen zijn er maar honderdvijftig, en die honderdvijftig psalmen zijn in hun oorspronkelijke, niet zingbare, onberijmde vorm te vinden als de mooiste smaragd temidden van die machtige edelsteenverzameling der Heilige Schriften. De psalmen staan namelijk, heb ik als kind geconstateerd, precies middenin de bijbel, en dat leek mij toen veelbetekenend.

Dat er maar een vaag besef is wat psalmen zijn, blijkt ook uit het feit dat altoos klakkeloos één van de mooiste gedichten uit onze taal, "De moeder de vrouw', wordt geciteerd om artikelen over de schoonheid van het psalmzingen te beklemtonen. (“En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren- O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer- Prijs God, zong zij, zijn hand zal u bewaren”) Ook W. Kloppenburg zegt, nadat hij het sonnet van Nijhoff geciteerd heeft, in zijn artikel "Psalmlied en volkslied' dat te vinden is in de catalogus bij de tentoonstelling: “Het is misschien een al te zeer voor de hand liggend begin, dit overbekende gedicht van Martinus Nijhoff. Maar als het gaat over "Psalmzingen in de Nederlanden' dan kun je er eigenlijk niet omheen. De essentie van de psalm als geloofslied is in Nijhoffs sonnet op onnavolgbare wijze samengevat. Er klinkt iets in door van de manier waarop vele generaties van gelovigen met de berijmde psalmen hebben geleefd en vaak met een psalm op de lippen zijn gestorven.”

Prachtig, mijnheer Kloppenburg, maar de vraag is toch: “Zingt die vrouw daar aan dek wel een psalm?” Want zo ja, in welk psalmvers is dan die regel "Prijs God, Zijn hand zal u bewaren', te vinden? Ik ben die regel nog nooit tegengekomen, ofschoon er in de psalmverzen handenvol verwijzingen zijn naar de hand Gods. Bovendien: de moeder van Nijhoff was bij het Leger des Heils, en soldaten van die armee zingen nooit psalmen, die zingen “geestelijke liederen op frivole huppelwijsjes”, zoals mijn vader altijd zei. Dus hoe zou die vrouw, daar aan dek, als zij echt een psalm had gezongen, Nijhoff aan zijn moeder hebben kunnen doen denken. Nee, die vrouw zong een gezang, en Nijhoff vergiste zich, omdat ook hij maar een vaag besef had van het verschil tussen psalmen en gezangen.

Niet christelijk

Het is jammer dat het verschil tussen psalm en gezang op die overigens stijlvolle, eerbiedwaardige tentoonstelling niet grondig en helder uit de doeken is gedaan. En het is zo eenvoudig: als er in een geestelijk lied sprake is van Jezus, het Kruis, de Verlosser, Kerstmis, Pasen en de Verrijzenis, Hemelvaart, Pinksteren, dan heb je te maken met een gezang. Psalmen zijn namelijk, en dat is en blijft iets geweldigs, niet christelijk. In die psalmen is niets te vinden over de blijde boodschap dat Jezus is gestorven. Vandaar ook dat zovele generaties gelovigen aan die onchristelijke psalmen niet genoeg hadden en allerlei gezangen, spirituals, en liederen over Jezus' verzoenend sterven hebben gedicht. Of ze hebben, zoals Luther deed toen hij psalm 46 berijmde als "Een vaste burcht is onze God', Jezus gewoon in die berijming binnen gesmokkeld.

Dat de psalmen van huis uit joods zijn, en met het christelijk geloof niets van doen hebben, is op de tentoonstelling wel te zien - er is een afdeling Psalmen in de synagoge - maar nergens wordt nu eerst ronduit gezegd: psalmen hebben van Jezus' kruisdood en een christelijke levensbeschouwing geen weet. In die psalmen wordt er bijvoorbeeld ook nooit over gezongen dat wij later naar de hemel zullen gaan. Een vers als “Ver boven 't prachtig sterrendak, daar is een heerlijk oord, waar zaal'gen in een blank gewaad, God prijzen ongestoord”, (wat mij als kind zoveel angst aanjoeg omdat ik er aan dacht hoe moeilijk het voor mij zou zijn om dat blanke gewaad schoon te houden) is ondenkbaar in de psalmen, al is in de berijmde versie ons verblijf in de hemel er hier en daar wel binnen gesmokkeld.

De psalmen bezingen onveranderlijk de rechtstreekse verhouding tussen God en de mens, zonder tussenkomst van een middelaar. Dat ook maakt die psalmen zo prachtig. Al die flauwekul van het Nieuwe Testament kun je vergeten als je psalmen zingt. Dat hele griezelverhaal over voor onze zonden vergoten bloed is er goddank niet in te vinden. Integendeel: vers 25 en 26 van psalm 73 luiden: “Wien heb ik (nevens U) in den hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde; al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig.”

Berijmde psalmen

Ten tijde van de hervorming hadden de gelovigen behoefte aan liederen die zij zelf konden zingen tijdens hagepreken en soortgelijke bijeenkomsten. Men greep naar het Oude Testament en berijmde de psalmen. In de dikke catalogus van de tentoonstelling wordt haarfijn uit de doeken gedaan welke berijmingen er allemaal ontstonden in de zestiende eeuw, maar uiteindelijk was er maar één die overleefde: die van Petrus Datheen. Op zichzelf eigenaardig want deze haastig in elkaar geflanste berijming (1565 en 1566) - Datheen berijmde bovendien niet rechtstreeks, maar vertaalde een Franse berijming van Marot en De Bèze - is miserabel. De beroemdste regel eruit - psalm 60 vers 10 - luidt: “Edom agt ik met zijn volk koen- niet beter dan mijn oude schoen.” Mijn vader en ik kerkten wel eens op de eilanden waar nog Datheen gezongen werd en dan zaten we elkaar altijd met verbijstering aan te kijken.

Protest

Toch heeft die berijming, ofschoon Marnix van St.-Aldegonde een veel betere maakte die in 1580 verscheen, het ruim twee eeuwen uitgehouden. In 1773 werd Datheen vervangen door een nieuwe berijming die samengesteld was uit berijmingen van Johannes Eusebius Voet, het Genootschap Laus Deo, Salus Populo, en Hendrik Ghijsen. In de kloeke, informatieve catalogus bij de tentoonstelling wordt gezegd dat de protesten in 1773 tegen de invoering van die nieuwe berijming "vrij spoedig verstomden'. Daar valt toch wel een enkele kanttekening bij te maken. Datheen wordt nog steeds her en der op de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden en op uithoeken van de Veluwe gezongen, dus het protest is in feite nog steeds niet verstomd. Nog in 1984 werd Datheen herdrukt! Op de tentoonstelling hangt een fraaie foto van de Hazeuzangers uit 1981. Het onderschrift ervan luidt: “Ongeveer twintig mannen komen in een huiskamer bijeen om vierstemmig psalmen en liederen te zingen: de "Hazeuzangers', genoemd naar de drukker en dichter Johannes Hazeu (1754-1835). De voorzanger gebruikt een stemfluit voor de toonhoogte en geeft met een houten hamer de maat aan. Men zingt de berijming van 1773 of die van Datheen (1566).” Dus ook daar leeft Datheen nog, is het protest nog niet verstomd.

En het protest was in 1773 veel heviger dan de catalogus ons wil doen geloven. Het gold overigens niet alleen de veranderde berijming, maar ook de veranderde "zingtrant'. In het boek van Josua van Iperen uit 1778: Kerkelijke Historie van het Psalmgezang der Christenen, lezen we: “De bewegingen, die in andere plaatsen over de veranderingen in den zingtrant plaats hadden, komen in geene de minste aanmerking, of zijn eenigszins gelijk te stellen met den geweldigen opstand, die er te Maaslandsluys wegens het invoeren van den korten zingtrant uitgebarsten en nog nauwelijks gedempt is.”

In mijn jeugd - want hoe trots ben ik dat die opstand zich voordeed in mijn vaderstad! - heb ik over die maandenlange opstand, die wel degelijk ook gericht was tegen de invoering van de nieuwe berijming, nog verhalen gehoord die van vader op zoon doorverteld waren. Zo werd ouderling Van der Gaag “zonder muilen en schoenen in zijn nachtgewaad langs de straat voortgestuwd, terwijl de voordeur van zijn buurman met luiken van schuiten gerammeld werd” en daarbij bleef het niet. Er werd geroofd, geplunderd, gemarteld, en één van mijn voorouders heeft in de Kleine Kerk twee voorstanders van de nieuwe berijming van de gaanderij gegooid! Uiteindelijk hebben gerechtsdienaars een einde gemaakt aan de opstand.

Reve

Op de kop af twee eeuwen heeft die berijming van 1773 het uitgehouden. In 1973 werd het liedboek van de kerken ingevoerd, met daarin een nieuwe psalmberijming van de hand van een aantal protestantse dichters plus Martinus Nijhoff. Dat die berijming van 1773 aan vervanging toe was kan alleen al met de eerste regel van het derde vers van psalm 139 geïllustreerd worden. Die luidt namelijk in de berijming van 1773 als volgt: “Gij hebt van acht'ren mij bezet, vooruit wordt mij de vlucht belet.” Merkwaardig dat deze regel tijdens het ezel-proces van Gerard Reve nooit geciteerd is!

Toch mis ik, als ik een enkele keer weer een kerkdienst bijwoon - en dat vaak alleen om een organist te vervangen - die berijming van 1773 smartelijk. Die berijming is in mijn bloed gaan zitten. Zes jaar lang heb ik op de lagere school elke maandagmorgen een psalmversje moeten opzeggen dat ik in het weekend had moeten leren, en als gevolg daarvan ken ik 200 coupletten van de in totaal 1438 coupletten van de 150 psalmen uit mijn hoofd, en 't is merkwaardig maar die psalmen komen onder allerlei omstandigheden en in allerlei situaties weer naar boven. Er zijn echt heel mooie regels in de berijming van 1773. Het derde vers van psalm 3 luidt bijvoorbeeld als volgt:

Ik lag en sliep gerust

van 's Heren trouw bewust,

tot ik verfrist ontwaakte;

want God was aan mijn zij,

Hij ondersteunde mij

in 't leed dat mij genaakte.

Het is duidelijk waar Beets de inspiratie vandaan haalde voor zijn beroemde gedicht "De moerbijtoppen ruisten'.

Heel, heel erg mooi is ook psalm 43. Een schitterende melodie, en onvergetelijke regels zoals “Mijn ziel hoe treurt gij dus verslagen, wat zijt ge onrustig in uw lot”. Ontroerend is ook zo'n regel als “Och, schonk Gij mij de hulp van uwen Geest”, uit psalm 119 en ook die psalm heeft een beeldschone melodie. Het is eigenaardig: vroeger toen ik nog heel gelovig was kon ik al die psalmen moeiteloos tot het laatste woord toe zingen. Nu krijg ik na één regel een brok in mijn keel en na twee regels ben ik in tranen. Al zingend word je je ervan bewust wat je verloren hebt en mis je het verlorene opeens smartelijk. Ik wou dat ik nog zonder zweem van twijfel m'n lievelingspsalm kon zingen:

Als ik, omringd door tegenspoed,

bezwijken moet,

schenkt Gij mij leven.

Die zong ik altijd onderweg naar school als ik een repetitie had. Tegenwoordig is er maar één psalm waar ik nog woord voor woord achter kan staan. Dat is psalm 77 vers 2, waarvan de eerste regels luiden:

'k Schatte mij geheel verloren

'k mocht van geen vertroosting horen.

Als mijn ziel aan God gedacht,

loosd' ik niet dan klacht op klacht.

Ook de regels van psalm 77 vers 3 zijn mij uit het hart gegrepen:

Slaap weerhield Gij van mijn ogen,

'k was verslagen, neergebogen,

en verstomd door al 't verdriet.

Wars van mensen, sprak ik niet.

Zwarte folklore

De tentoonstelling geeft een beeld van het psalmzingen door de eeuwen heen. Er staat een 2 1-2 Sterling-harmonium, (dat is overigens weinig typerend: in Gereformeerde huiskamers stond op z'n best een Mannborg-harmonium, zo'n duur Amerikaans harmonium heb ik nog nooit in enige huiskamer gezien) er hangen twee psalmborden, en er hangt van vrijwel elke dichter die zich bezondigd heeft aan een psalmberijming een portret. Ook aan Paaps psalmzingen wordt aandacht geschonken en de wijze waarop bij de Lutheranen, de Doopsgezinden, de Oud-Katholieken met de psalmen werd omgesprongen wordt in beeld gebracht. Het ziet er allemaal voortreffelijk verzorgd uit, maar wat je mist is de zwarte folklore van het psalmzingen. Zo wordt nergens verteld dat het eeuwen de gewoonte is geweest om dominees op nieuwjaarsdag en als hun echtgenotes bevallen waren een "Opz'ndaaltje' toe te zingen, alias psalm 134 vers 3: “Dat 's Heren zegen op u daal”.

Maarten Biesheuvel heeft daar heel leuk over geschreven, maar geen woord daarover in de afdeling "Psalmzingen en letterkunde', die trouwens toch adembenemend schamel is. Ook het feit dat heel lange dominees vroeger werden aangeduid als Psalm 119 (die heeft namelijk de meeste coupletten, 88 stuks) wordt niet vermeld. Noch ook is het prachtige verhaal te vinden over de kosterszoon in Leiderdorp die voor aanvang van de kerkdienst stiekem de aanduiding op het psalmbord veranderde. Als gevolg daarvan werden de ouderlingen die kersvers in het ambt bevestigd waren niet toegezongen met psalm 73 vers 1: “Ja waarlijk, God is Isrel goed, voor hen, die rein zijn van gemoed”, maar kregen zij psalm 73 vers 4 over zich heen:

Indien men op hun voorspoed let,

hun ogen puilen uit van vet;

hun weelde, wat zij zich beloven,

gaat hun verbeelding nog te boven.

Zij mergelen de mensen uit

en spreken trots op roof en buit,

steeds uit de hoogte van hun macht,

terwijl hun hart de deugd belacht.

Ach, had ik daar toch bij mogen zijn! Ook heb ik nooit meegemaakt wat Henny Dijkstra, de vriendin van F.B. Hotz, mij trots verteld heeft: dat zij in haar jeugd als psalm 118 vers 5 werd gezongen:

Toen ik de heid'nen aan zag rukken,

heb ik in 's Heren kracht gestreen;

Ik hieuw z'in 's Heren naam aan stukken,

vertrouwend' op die naam alleen,

samen met enige leeftijdgenoten de regel “vertrouwend' op die naam alleen”, verving door de regel: “De stukken vlogen overal heen”.

Zo moeten er nog honderden verhalen zijn. Daarvan is op de tentoonstelling alleen maar een net toefje folklore te vinden. Niets van de nachtzijde van het psalmzingen is tot de tentoonstelling doorgedrongen, niets van al die twist en tweedracht over hele en halve noten, over aanpassingen aan de berijming, over al dat stof dat die zo onschuldige berijming van Hasper deed opwaaien. (Hasper veranderde vaak alleen maar de woordvolgorde. “Heer, mijn God, ik zal u loven”, werd bij hem: “Heer, mijn God U zal ik loven”, en toch raakte mijn vader daarvan buiten zinnen. Ergens anders verving Hasper "gansche hart' door "heel mijn hart', en ook daar werd mijn vader wild van).

Toen in 1973 de nieuwe berijming werd ingevoerd was er wel protest, maar zijn er geen opstanden uitgebroken zoals in 1773. Maar mijn vader was een jaar lang zo woedend dat hij aan het eind van 1973 aan een hartaanval is bezweken. En mijn moeder leeft nog steeds helemaal op als er ergens een kerkdienst aangekondigd wordt waar Oude Berijming zal worden gezongen. Voor de gelovigen van hun generatie was de invoering van de Nieuwe Berijming een catastrofe. Mocht hen dat worden aangedaan? Gelet op het feit dat het Christendom op sterven na dood is had men in die laatste zieltogende jaren beter de Oude Berijming kunnen blijven gebruiken. Nog even, denk ik, en het zingen van psalmen is voorgoed verleden tijd.

    • Maarten ’t Hart