"Verdomd fascinerend'

Met hoeveel pracht en praal ontvangt de ambassadeur van 's werelds laatste communistische grootmacht zijn gasten? En wie komt er met het oog op het 42-jarig bestaan van de Chinese Volksrepubliek een glas Great Wall-wijn heffen op het regime dat verantwoordelijk is voor een massamoord op vreedzaam demonstrerende burgers en studenten?

Het zijn onfatsoenlijke vragen, maar vragen die de bezoeker van de met rode lampions versierde Haagse villa deze oktoberavond op de lippen branden.

Voor de deur glimmen tientallen limousines. Binnen geurt het naar peperkip, loempia's, receptiezweet en proletarische soberheid. Het interieur van de residentie biedt dezelfde spartaanse aanblik als regeringsgebouwen in Peking: neonverlichting, doorrookte vitrage, lichtgroene verf en plastic asbakken. Links slaan Nederlandse zakenlieden een beminnelijke Chinese ambtenaar op de schouder (“Ik miste je vorige week op het golftoernooi. En waarom was je niet bij de borrel van KLM?”), rechts oefent art-tycoon Frits Becht zich in de kunst van het diplomatieke onderhoud. Afrikaanse gezanten staan samengeklit in een hoek. Ook vertegenwoordigers van Arabische landen zoeken elkaars gezelschap: Irak (dat naar verluidt tijdens de Golfoorlog door de Volksrepubliek van wapens is voorzien) heeft het hoogste woord en blijkt hier geen schim van de internationale paria die het land officieel heet te zijn.

Terwijl de gefrituurde garnalen rond gaan en op de achtergrond melodieën als Lenteplezier in de jaden kamer klinken, converseren Nederlandse militairen, museumdirecteuren, sinologen, dienaren van Buitenlandse Zaken en journalisten met het Chinese corps diplomatique. Achter Norbert Schmelzer en Telegraaf-chroniqueur Thomas Lepeltak duikt plotseling Rudolf de Korte op. Het politieke systeem van de Volksrepubliek mag de VVD-er dan niet aanstaan, en “zo'n bloedbad is natuurlijk heel naar”, maar “dat volk blijft verdomd fascinerend”.

Halverwege de jaren zestig, herinnert het Kamerlid zich, had hij als Shell-employé de supervisie over alle benzinestations in Hongkong. De Volksrepubliek produceerde goedkope accu's en autobanden, die De Korte en masse inkocht (evenals het verzameld werk van de Grote Roerganger, “hartstikke boeiende lectuur, staat nog steeds bij me op de plank”). Tijdens zijn reizen door China zag hij hoe Rode Gardisten in Shanghai de Culturele Revolutie inluidden en ontmoette hij Lin Piao. “Die had net het Rode Boekje samengesteld. Ik kreeg een exclusief exemplaar, inclusief handtekening.”

Op iets gedemptere toon voorspelt De Korte dat de Chinezen “vanwege hun Confucianistische consensus-traditie” nog lang zullen doen over het afzweren van het communisme. “Dat gebeurt voorzichtig en in overleg, not with a bang but with a whisper.” Het zijn opmerkingen waar een secretaris van de ambassade hoofdschuddend op reageert. De superioriteit van Deng Xiaopings Socialisme met Chinese Karakteristieken garandeert volgens hem tot in de eeuwigheid geluk. Van revoluties à la het Oostblok zal geen sprake zijn: de voedselsituatie in de Volksrepubliek is verhoudingsgewijs goed, een veel-volkerenstaat met alle problemen vandien is China niet, en langzaam maar zeker (“U ziet het nu zelf”) raakt het land uit zijn isolement. Eh, ja, inderdaad, alleen nog wat democratie.

De echtgenote van ambassadeur Wang Qingyu heeft zo haar eigen ervaringen met de staatsideologie. Als vertaalster van Goethe, Thomas Mann en Kafka zou ze graag zien dat de overheid herdrukken uitbracht van boeken waarin ze veel energie heeft gestopt. “Vooral Kafka vloog de winkels uit”, zegt ze. Vanwaar dan de rem op zulke uitgaven? “Papierschaarste”, antwoordt mevrouw Wang neutraal. “De geschriften van Mao Zedong gaan voor. Ze zijn interessant hoor, maar niet dun.”