Regeren per beeldscherm

Simulatiespel voor het Voortgezet Onderwijs Vervaardigd en ontwikkeld door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting in opdracht van het ministerie van financiën, september 1991. Prijs: ƒ 37,50

Eerst maar even het Regeerakkoord afsluiten. Prettig als je als minister van financiën daarbij geen rekening hoeft te houden met de wensen van je coalitiepartner. Wil ik de nadruk leggen op "milieu'? Zal ik een paar miljard extra investeren in de Nederlandse infrastructuur? Daarbij moet ik dan wel bedenken dat meer uitgeven aan het één onvermijdelijk betekent dat ik minder geld overhoud voor andere zaken. Tenzij ik de belastingen verhoog of het tekort van de overheid nog groter laten worden. Dit zijn de eerste vragen waarvoor de deelnemer aan "Rijksbegroting 1992', een computer-simulatiespel voor het Voortgezet Onderwijs, komt te staan. Op het beeldscherm zie je een plattegrond van Den Haag-Centrum. Je wandelt van het ministerie van financiën, met een kopje koffie tussendoor in het restaurant, naar het Centraal Planbureau. Of je maakt even een uitstapje naar het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting).

Nadat de speler globaal heeft aangegeven welke beleidskeuzen hij wil maken, kan hij op de begrotingskamer zien wat de gevolgen daarvan zijn voor de Rijksbegroting. Tja, zo valt het overheidstekort toch wel een beetje te fors uit. Dan maar een paar procentjes van de onderwijsbegroting af, kappen in de huursubsidies, of zal ik eens fors snijden in het defensiebudget?

Met wat kleine veranderingen is de proefbegroting rond. Financieel ziet het geheel er op het scherm gezond uit. Maar voordat ik ermee op Prinsjesdag naar de Staten Generaal kan, wil ik eerst weten welke gevolgen mijn begroting heeft voor de Nederlandse economie. Door te bezuinigen op de huursubsidies breng ik wel mijn boekhouding wat meer op orde. Maar voor degenen die op zo'n subsidie zijn aangewezen betekent die bezuiniging een achteruitgang in inkomen. Een belastingverhoging mag dan misschien goed zijn voor de staatskas, maar de werkloosheid kan erdoor stijgen.

Als minister van Financiën moet je aan veel meer denken dan alleen de kille begrotingscijfers. Dus op een drafje naar het Centraal Planbureau (CPB), want ik heb maar vijftien minuten tijd om mijn begroting rond te krijgen. Gelukkig is in het spel een druk op toets "F8' voldoende. Daar hebben ze de gevolgen van mijn beleid voor het overheidstekort, de werkgelegenheid en de inkomensontwikkeling al uitgerekend. Ook hebben ze snel gepeild of mijn plannetjes wel voldoende zullen worden gesteund in het parlement. Zonder die steun krijg ik mijn begroting er niet door.

Bij het NIBUD kan ik vervolgens kijken wat de begroting precies betekent voor het inkomen van alleenstaande AOW-ers, gezinnen met een uitkering, tweeverdieners en zelfstandigen. In het restaurant zijn de programmamakers ongewild(?) grappig als de serveerster tegen de minister opmerkt: "We hebben een nieuwe kok genomen'.

Terug naar de begrotingskamer. Ik breng nog een kleine bezuiniging aan op de sociale uitkering en ik verlaag de belastingen een beetje. Voor alle zekerheid raadpleeg ik het CPB en het NIBUD nog een keer. Opgelucht stap ik in mijn dienstauto; het parlementaire jaar kan beginnen.

Veel tijd om op mijn lauweren te rusten is er niet, de Voorjaarsnota moet worden voorbereid. De aardgasopbrengsten blijken mee te vallen. Maar ik krijg ook een aantal tegenvallers voor de kiezen: studiefinanciering en huursubsidie kosten meer dan ik heb voorzien. Ik moet mijn begroting bijstellen, anders loopt het financieringstekort uit de hand. Na een rondje langs het CPB en het NIBUD kan de Voorjaarsnota in april de deur uit. Dezelfde procedure doorloop ik dan nog eens voor de Najaarsnota en de "Voorlopige afrekening' (februari 1993). Opnieuw mee- en tegenvallers die ik moet verwerken in mijn budget. Aan het eind van de rit blijkt mijn tekort iets meer dan honderd miljoen gulden te groot te zijn. Peanuts, denk ik. Maar harteloos deelt het programma mij mee dat ik zonder wachtgeld ben ontslagen!

Het simulatieprogramma "Rijksbegroting 1992' is bestemd voor leerlingen in 4 HAVO en 5 VWO die het vak economie in hun pakket hebben. De leerling kan na het doorlopen van een of meer oefensessies kiezen voor de aan het programma verbonden wedstrijd. De bijbehorende docentenhandleiding stelt: "Door zelf de rol van minister op zich te nemen maken de leerlingen op een directe en aantrekkelijke manier kennis met de totstandkoming en uitvoering van de Rijksbegroting en verwerven ze inzicht in de overwegingen die daarbij een rol spelen'.

In die opzet slaagt het programma volgens mij. Het simulatiespel is gemakkelijk te bedienen en geeft spelenderwijs een aardig beeld van de afwegingen die bij het maken van de Rijksbegroting moeten worden gemaakt. Aan te raden voor iedereen, ook buiten het onderwijs, die iets meer zicht wil krijgen op de Haagse begrotingsperikelen.

Bij alle lof toch een enkele kanttekening. Na mijn eerste mislukte proefrondje, besloot ik eens flink te bezuinigen op "Defensie' (ruim twintig procent). Zo lukte het mij een prachtige begroting in elkaar te timmeren. Eentje waarbij die van Kok maar erg armzalig afsteekt. Door "Defensie' hard aan te pakken kreeg ik de ruimte om meer uit geven aan "Volkshuisvesting' (plus drie procent), "Derde Wereld' (plus vijf procent), "Milieu' (plus acht procent en "Infrastructuur' (plus zes procent). Bovendien kon ik de belastingen ook nog eens met vijf procent verlagen. De koopkracht van iedereen steeg, de werkgelegenheid groeide met 1,6 procent. En mijn overheidstekort kwam bijna drie miljard gulden lager uit dan dat van Kok. Een foutje in het programma? Of ligt daar werkelijk de sleutel voor Koks problemen?

Tot slot nog een kritiekpunt. In het spel wordt het financieringstekort omschreven als: "Het (negatieve) verschil tussen de uitgaven en de inkomsten van de Staat. Daarbij wordt geen rekening gehouden met het bedrag dat de Staat kwijt is aan rente en aflossingen van de staatsschuld'. Die definitie klopt niet. Als de totale uitgaven van het rijk groter zijn dan de ontvangsten heeft de minister van financiën een begrotingstekort. Hij moet lenen. Een deel vind hij door de bedragen die hij heeft afgelost meteen weer terug te lenen. De grote uitleners - institutionele beleggers, zoals verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen - hebben daar meestal geen bezwaar tegen. Wat dan nog overblijft heet het financieringstekort. De aflossingen mogen dus in mindering worden gebracht, maar de rente beslist niet. Rijksbegroting 1992

    • Jan Pleus