Nijmegen neemt het heft in eigen hand; Stad wil wijkgerichte aanpak van de sociale vernieuwing

NIJMEGEN, 11 OKT. Nijmegen laat zich, als het om de beloofde "sociale vernieuwing' gaat, niet met een kluitje in het riet sturen. Daarom heeft de stad zich aangesloten bij het comité "Wij zetten door', waarin tweehonderd gemeenten zich verenigden uit onvrede met het overheidsbeleid. Het comité heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gevraagd een initiatiefwet voor de sociale vernieuwing te ontwerpen. En wel binnen een jaar.

Daar willen de Nijmeegse ambtenaren echter niet op wachten. Ze zijn vastbesloten nu al te laten zien hoe het wèl moet. “Met alleen kritiek op het rijk ben je er niet. Wij menen te weten hoe aan verschuiving van macht en verantwoordelijkheden werkelijk gestalte kan worden gegeven en we zijn dan ook een eind op de goede weg”, zegt wethouder van sociale zaken E. Weber.

J. Schaefer, voorzitter van de landelijke werkgroep Sociale Vernieuwing, noemde de aanpak in Nijmegen onlangs "uniek'. Schaefer was aanwezig bij de ondertekening van de overeenkomst tussen de Stichting Toekomst Oud-West (STOUW) en de gemeente Nijmegen. De stichting wil een nieuwe aanpak van werkloosheid, vandalisme en criminaliteit, bijscholing, begeleiding van jongeren bij werk en scholing en van het leefbaar houden van de woonomgeving in drie van de vijf achterstandswijken in de stad. In Oud-West wonen 13.000 mensen.

STOUW is opgericht door bewonersorganisaties die een werkplan maakten voor de komende drie jaar. De gemeente stelde voor die periode 200.000 gulden per jaar beschikbaar en gaf de stichting de vrijheid om binnen het budget problemen aan te pakken en met instellingen in zee te gaan. “Good luck. Over de voortgang houden wij contact”, aldus de gemeente.

Het initiatief kwam van de bewoners zelf en zij zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de plannen. “En zo hoort het toch? Is dit niet wat de overheid ons gemeenten heeft voorgespiegeld: minder bureaucratie, meer de bevolking erbij betrekken?”, stelt Weber. Als tussenpersoon tussen STOUW en de diverse instellingen fungeert F. Brukx. Hij houdt kantoor in het gemeenschapscentrum Waterkwartier, een van de vijf buurthuizen in Oud-West. Nog voor het eind van dit jaar zullen de drie belangrijkste projecten van STOUW in gang zijn gezet, hoopt hij. Het project voor 0- tot 6-jarigen heeft voorrang gekregen.

Sinds half september draait een crèche voor allochtone kinderen, ondergebracht in een basisschool. Het verschil tussen deze crèche en de andere zes in Oud-West is dat het initiatief kwam van de school zelf, waarop veel buitenlandse kinderen zitten. De gemeente geeft voor deze crèche nog eens 35.000 gulden subsidie wegens het aparte karakter van de kinderopvang. Er wordt extra aandacht besteed aan het voorkomen van achterstanden die allochtone kinderen vaak al vóór de kleuterleeftijd oplopen.

Binnen het totale project voor 0- tot 6-jarigen worden de activiteiten zoveel mogelijk op elkaar afgestemd, vertelt Brukx. Vanuit de crèche worden opvoedcursussen voor ouders georganiseerd en er is een "opstap-project': een door WVC gesubsidieerd project voor kleuters en ouders om een ontwikkelingsachterstand op zeer jonge leeftijd te voorkomen. "Buurtmoeder' wordt de begeleidster van het opstap-project genoemd die de gezinnen wekelijks bezoekt.

“Onze wijkonderhoudsgroep is ook zo'n voorbeeld van eigen initiatief van de bewoners”, zegt Brukx. “Er is inmiddels een geschikt pand gevonden en binnenkort gaat er een busje rijden door de buurt. Langdurig werklozen zijn via de banenpool werkzaam binnen de onderhoudsgroep en zij kunnen worden ingeschakeld voor individuele klussen of bij voorbeeld het opknappen van een speeltuin. Aan zo'n voorziening was al jarenlang behoefte.”

Een ander project dat prioriteit heeft, is de werkloosheidsbestrijding. Daarvoor wil STOUW een informatiepunt inrichten waar mensen zonder werk gemakkelijker binnenlopen dan bij het arbeidsbureau. “We denken daarbij niet aan een spreekuur, maar aan een soort inloopruimte, waar werkzoekenden iemand aantreffen die hen verder helpt. In de buurthuizen gaan we informatie-avonden geven over het jeugdwerkgarantieplan, in de verwachting dat een werkloze jongere eerder zijn eigen buurthuis binnenloopt voor zo'n avond dan een grote instelling.”

Voor een project als STOUW komen volgens wethouder Weber nog zeker twee andere Nijmeegse wijken in aanmerking. “Maar een uniforme regeling voor de hele stad is niet goed. In de ene wijk vraagt men meer aandacht voor ouderen, in de andere is de werkloosheid groot of zijn er niet genoeg speelplaatsen. Elke buurt vraagt haar eigen voorzieningen.”

Een andere minderheidsgroep die in de problemen dreigt te raken zijn de woonwagenbewoners. “Een vergeten groep”, aldus Weber, “hun werkgelegenheid (in de autosloperij, red.) wordt door verscherping van de milieuwetgeving afgepakt en zij hebben vrijwel geen alternatief.” Nijmegen heeft drie kleine kampjes en een groot kamp.

Ook binnen het "Woonwagenproject' (goed voor 180.000 gulden uit het 1 miljoen gulden tellende fonds Sociale Vernieuwing) wordt gestreefd naar het op één lijn krijgen van alle instellingen. Eén succesje is al behaald: een jongere kampbewoner heeft een baan gekregen bij een transportbedrijf.

Verder zijn er niet-wijkgebonden voorzieningen, die uit het fonds sociale vernieuwingen worden betaald. Zoals het internationaal vrouwencentrum, waar les aan buitenlandse vrouwen wordt gegeven.

En de banenpool: Nijmegen was een van de steden die aan het banenpool-experiment meededen. Het aantal arbeidsplaatsen is in een jaar uitgegroeid van 204 in het experimentele stadium tot 320 nu. Ook het "nieuwkomersproject' is lokaal, hiervoor verstrekt het ministerie van WVC een aparte subsidie. Nieuwe allochtonen worden meteen benaderd over arbeid, om de kans op problemen met werk in de toekomst zo klein mogelijk te maken.

Weber: “Maakten de ministeries zich maar net zo sterk voor de zaak als in het begin. Maar dat is niet zo. Het proces is in een jaar tijd versloft. Ze deinzen terug voor de invulling van alle mooie plannen. Neem nu onderwijs: daar blijven ze maar op het geld zitten, terwijl ons financiële steun was beloofd voor de extra lessen aan allochtone kinderen. Ze zijn doodsbang dat we van het geld lantaarnpalen kopen. Evenals Sociale Zaken: toen wij in plaats van zestien maar acht sociale rechercheurs aanstelden en dus de helft van het geld overhielden, werd ons te verstaan gegeven dat we dat aan een andere vorm van fraudebestrijding moesten besteden. Steeds maar weer dat geknibbel op onze vrijheid...”