Inpakken

"Slagregens beletten Christo opsteken van 3100 paraplu's', lees ik in het ochtendblad.

Het laatste dat ik me van de Bulgaarse kunstenaar herinner is dat hij de Pont Neuf in Parijs had ingepakt. Dat veroorzaakte, zoals dat bij een kunstwerk hoort, een aantal gedachten tegelijkertijd. De aanblik van de brug in plastic was niet oninteressant; ik kreeg zelfs zin er even aan te voelen. Ook vroeg ik me af waarom hij het had gedaan. Ten slotte - dat woord moet ik hier wel gebruiken want een mens kan er wel gelijktijdig drie gedachten op na houden maar ze niet op die manier opschrijven - dacht ik: wat kan het me schelen.

Er zijn kunstenaars die met grote hardnekkigheid een soort sensationalisme bedrijven dat met grote afmetingen en grote aantallen gepaard gaat en dat althans bij mij grote onverschilligheid wekt. Om eens iemand anders te noemen: Barry Le Va, die uit artistieke overwegingen buitengewoon veel glas heeft gebroken, of Robert Smithson die op een andere manier met andere bedoelingen hetzelfde heeft gedaan. Christo pakt in. De enige faculteit waarop hij daarbij op den duur een beroep doet is de verdraagzaamheid, en die is tot nu toe groter gebleken dan alles wat hij heeft ingepakt.

Een jaar of dertig geleden had je de telephone art. De kantoren waren nog niet algemeen uitgerust met kopieermachines en om een kopie te maken moest je carbonpapier gebruiken. Telephone art bestond nu hierin dat je een velletje carbon op een gewoon A-4tje legde, dan een willekeurig nummer draaide, wachtte tot er werd opgenomen, en dan, terwijl degene aan de andere kant van de lijn "wie is daar' riep, met de hoorn over het carbon ging tot er werd opgehangen. Het kon leuk zijn als je erbij stond of het zelf deed, maar voor de buitenstaander die je het vertelde, was telephone art een vondst, geboren uit de meligheid van het kantoorlokaal.

Nu heeft Christo ergens in Japan en in Californië een paar duizend metershoge paraplu's laten neerzetten. Ze hadden op een bepaald tijdstip geopend moeten worden maar het regende te hard. Ik had geen leedvermaak, ik kan me voorstellen dat je, als je er al zoveel moeite aan hebt besteed, met het spektakel een dagje wacht tot de zon weer schijnt. Ik vind het zelfs interessant, zoals de reclamespot waarop je ziet hoe een zeer groot laken door helikopters uit een zeer groot zwembad wordt gevist nadat het smetteloos schoon is gewassen; of die andere die een grote groep mensen laat zien, allemaal in het wit, tot in het midden een wat kleinere groep zich omdraait en met de rode voorkant de letters van het wasmiddel toont. Als ik het wist, zou de naam van dat middel noemen, maar zó boeiend is het schouwspel op zichzelf dat ik de naam vergeet. Daaruit blijkt al dat niet alles wat gigantisch is daarmee ook onvergetelijk wordt.

Soms is het effect van het gigantische in het voorbijgaan belangwekkend, zelfs in die mate dat je geneigd bent er een notitie van te maken. Op de Dam is het weer kermis. Er staat deze keer een reuzenrad. Vanmorgen (negen oktober 1991 om half acht) was het dik mistig. Om de hoek van de Paleisstraat komend zag ik hoe het geweldige amusementswiel hoog in de nevel vervaagde, en ik dacht: O! Als ik ruimtelijk kunstenaar was zou ik een reuzenrad in nevels laten verdwijnen. Ik had vandaag nog meer geluk. Op weg naar mijn broodje zag ik tussen de middag een zeer dikke vrouw die een buitengewoon ingewikkelde kachelpijp droeg. O! Als ik beeldhouwer was... Wat een skulptuur liep daar. Het hoorde wel niet tot het inpakgenre maar de aanblik was misschien nog meeslepender.

Ik ben niet iemand die bij Christo denkt: dat kan mijn tante ook. Dat voeg ik er voor alle zekerheid aan toe. Maar het belangwekkendheidscentrum in zijn kunst verschuift. Ik ben niet meer nieuwsgierig naar het effect maar naar de verklaring. "Ik wil de ruimte manipuleren,' zo wordt hij in de Volkskrant geciteerd. Ik denk: daar heb ik Christo niet voor nodig. Als we het over het manipuleren van de ruimte moeten hebben - 't is een gebrekkige uitdrukking, horend tot de categorie als je maar begrijpt wat ik bedoel - dan geef ik de voorkeur aan bijvoorbeeld een hard rijdende tram in een lege straat: te groot, een surrealistische wanstaltigheid in zijn omgeving. Ik zou weleens willen zien hoe de aanstaande ijsbergen van de Groenlandse rotsen hun wereldplons maken en traag wentelend in de oceaan tot echte ijsberg worden.

De ruimte "manipuleer' je bij voorkeur niet. Die laat je manipuleren door ijsbergen, zeppelins, olifanten. Ik ben er een liefhebber van. Niet van de vondsten der vondstenaars die in hun herhaling mijn belangstelling tot nul herleiden.

    • H.J.A. Hofland