Geeft ook mij maar van die wanhoop; De poezie van Herman de Coninck

Herman de Coninck: Enkelvoud. Uitg. De Arbeiderspers, 54 blz. Prijs ƒ 24,90.

Ik heb nog nooit de erectie van een neushoorn gezien. Herman de Coninck wel. In 1970, in de Londense dierentuin. Hij zag een neushoorn in het zand liggen en hij zag hoe het beest in de buurt van zijn onderbuik door iets gehinderd werd en moeizaam omhoog kwam. ”Toen hij uiteindelijk zo overeind mogelijk stond, bleek die erectie een slijmerige driekwart meter, waarmee hij, niet geschapen zijnde tot zelfbediening, een beetje lusteloos tegen zijn enkels aanwreef.' Om de een of andere reden slaagde De Coninck er niet in de aanblik van deze slurf in een gedicht te verwerken. Hij wijdde wel een mooi vers aan het dier, en nam het op in zijn tweede bundel Zolang er sneeuw ligt (1976), maar daarin ging het alleen maar over de monumentale lichamelijke logheid en de vermoede geestelijke leegheid van de rinoceros.

Pas vijftien jaar later, in oktober 1985, zou hij bij toeval een beeld vinden dat hem in staat stelde iets met deze herinnering aan te vangen. Het verslag van deze vondst valt na te lezen in zijn essaybundel Over Marieke van de bakker (1987). De Coninck vertelt daarin hoe hij zich een paar dagen in de Ardennen terugtrok om nu eens in de vorm van een dagboek antwoord te geven op de hem zo vaak gestelde vragen ”Waarom schrijft u poëzie?' en ”Hoe doet u dat?' Al broedend liet hij zijn oog vallen op een kleverige vliegenstrip die daar toevallig aan het plafond hing - en toen wist hij opeens waarmee hij vijftien jaar geleden de slurf van de neushoorn had moeten vergelijken: met ”een vliegenvanger', ”mèt vliegen erop'.

De bedoeling van deze anekdote, die ons aan het eind van het dagboek wordt voorgeschoteld, is duidelijk. Zó gaat dat dus, dichten: het is wachten op beelden die het geheugen of de omgeving via onvoorspelbare omwegen aanleveren. En dáárom schrijft de dichter dus: om onverwachte cadeaus te krijgen, zoals in dit geval het samenvallen van twee momenten (1970 en 1985) en twee plaatsen (Londense dierentuin en huisje in de Ardennen).

De Conincks dagboek is om verschillende redenen nuttige achtergrondliteratuur bij zijn nieuwe, vijfde bundel Enkelvoud. Het is verrassend om te zien dat ook een traditioneel dichter als hij afhankelijk wil zijn van toeval. Zijn poëzie ziet er gewoon, spreektalig en anekdotisch uit, maar blijkt net als die van de zogenaamde experimentelen gestuurd te worden door invallen en geheugenkronkels: eerder door de taal dan door vooropgezette bedoeling. Maar tegelijk bevestigt zijn dagboek ook de indruk van willekeur die er van zijn poëzie uitgaat. Want de vliegenvangermetafoor wordt ons wel als climax gepresenteerd en wij worden wel geacht perplex te staan, maar een en ander laat mij eerlijk gezegd met een fiks probleem achter: dat ik, ook met het beeld van de vliegenvanger in het achterhoofd, het uitsteeksel van de neushoorn nog niet echt voor me zie. Is dat ding donkergeel dus, met veel zwarte stippen erop? En hangt het, zoals vliegenstrippen toch bij uitstek doen, loodrecht naar beneden? Als de neushoorn ”hem heeft staan', betekent dat dan dat hij hem in feite heeft hangen? Of verkopen ze in de Ardennen andere vliegenvangers dan bij ons?

Een dergelijk gevoel van lege handen, terwijl ons toch zo veel beloofd was, overviel mij meer dan eens bij het lezen van Enkelvoud. Dat is jammer, zeker voor de metaforendichter die De Coninck zo graag wil zijn. Het vinden of in de schoot geworpen krijgen van een bruikbaar beeld betekent voor hem zoveel als het opheffen van een existentiële eenzaamheid. In zijn vorige bundel, De hectaren van het geheugen (1985), verzuchtte hij al: ”Ach, de troost van een vergelijking,- het helpt bijna. Zodra ik nog maar ”Zoals'- hoor, wordt alles minder alleen.'

Zijn nieuwe bundel besluit hij met een programmatisch gedicht waarin aan het zoeken naar vergelijkingen nog meer betekenis wordt toegekend. Hoe maakt men van enkelvoud meervoud? Aldus: ”Ik zoek een dorp.- En daarin een huis. En daarin een- kamer, waarin een bed, waarin een vrouw.- En in die vrouw een schoot.' En wat heeft deze seksuele zoektocht met poëzie te maken? Niets, maar vergelijkenderwijs alles: ”Zo zoekt een vergelijking- een gedicht voor de nacht,- een man een vrouw,- een leeslint een vouw.- Nacht klapt het boek dicht.' Voor een dichter als De Coninck moet de vondst van zo'n vierdubbele vergelijking wel het grootste geluk betekenen. En misschien betekent de volgende vondst, waarin iets met zichzelf wordt vergeleken, in deze poëzie wel de grootste diepzinnigheid:

Zoals dit eiland van de meeuwen

is en de meeuwen van hun krijsen

en hun krijsen van de wind

en de wind van niemand,

zo is dit eiland van de meeuwen

en de meeuwen van hun krijsen

en hun krijsen van de wind

en de wind van niemand.

Als dit geen grappen zijn (en niets in de bundel wijst daarop), dan kunnen beide gedichten wel gelden als het toelatingsexamen voor het werk van De Coninck. Wie hier ongeschonden doorheen komt, tot twee maal toe, is binnen. En voor hem of haar zal De Coninck de dichter zijn van de treffende gezinsanekdotiek (eerste afdeling), het gevoelige probeersel (tweede afdeling) of van het weemoedige landschapssentiment (derde afdeling). Maar wie, zoals ik, hier tot twee keer toe moest afhaken, kan de rest ook wel vergeten. Voor hem of haar blijft het, ook na duchtige herlezing, teleurstellend oppervlakkig, willekeurig en alledaags allemaal: goedkoop sentiment (eerste afdeling), stuntelig experiment (tweede afdeling) en een paar aardige sfeergedichten (in de derde afdeling).

Voor lezers van de eerste categorie is deze bundel, oplage drieduizend exemplaren, geschreven. Zij kunnen hun hart ophalen aan levenswijsheden als deze: ”Want het is goed om ooit- iets te hebben gehad.- Het is beter dan nooit- iets te hebben gehad'. En: ”Er is geluk waarmee je alleen- moet zijn. Het te grote.' Maar soms zijn ook vrouw en kind nodig: ”Ik moet met drie zijn om van mij te houden.' Even later blijkt het in je eentje ook gezellig te kunnen zijn: ”ik en mijn kloten, wij drie' en ”je bent zo onder elkaar met jezelf'.

En zo gaat dat maar door. Dichterlijke weemoed: ”O mocht het allemaal nog eens zo tegenzitten.' Knapenliefde: ”hij te jong, zij te mooi, haar jurk te split'. Droefheid: ”Geef ook mij maar van die wanhoop'. Verlangen naar geborgenheid: ”Heb mij nodig. Kun mij niet missen.' En de dichter? De dichter is hier een ”journalistje van zijn ziel'.