“Eenzaamheid is de kern, weemoed is het donzen omhulsel”

Maurice Gilliams (1900-1982) groeide op op een kasteel. “Maar laat iedereen toch beseffen: een verloren paradijs, ofschoon een paradijs, is nooit iets leuks.” In zijn boek "Gregoria of een huwelijk op Elseneur' dat pas nu voor het eerst gepubliceerd wordt, schrijft hij over zijn eerste huwelijk. Het was Gilliams overtuiging dat het verleden rijpt in het heden. Soms levert dat wrange vruchten op - dit boek is er het aangrijpende bewijs van.

Maurice Gilliams: Gregoria of een huwelijk op Elseneur. Uitg. Meulenhoff, 384 blz. Prijs ƒ 79,- (geb.) ƒ 55,- (ingenaaid)

Uit het ironienummer van het tijdschrift De XXIe Eeuw heb ik opgestoken dat de mens-van-nu de woorden "Ik hou van jou' nog slechts ironisch uit kan spreken. Jammer voor de mens-van-nu. Ik houd van Maurice Gilliams. Ben ik nu wel of niet van gisteren? Het zou Gilliams een zorg zijn geweest. En ook daarom houd ik van hem: vanwege die volstrekte onwil om in generaties te denken. In 1938 schreef hij al dat hij niets te maken had met zijn schrijvende tijdgenoten: “In de literatuur van mijn land werken gelijktijdig Roelants, Walschap, De Pillecijn en Zielens. Wat hebben zij te maken met mijn intiemste psychische verwevenheid, wat worden zij gewaar van mijn bloeddruk en mijn zenuwpijn, van de mysteriën van mijn hersenkronkels; wat zien en wat kunnen zij zien van de mens Gilliams die ik ben? Armzalig weinig. Andersom is het er evenzo mee gesteld. (-) Ondergaan we dan de geest en de gebeurtenissen niet van de tijd waarin wij leven? Ja, maar ieder individu op zijn eng-persoonlijke wijze.”

De nostalgie is niet meer wat het (zij? hij?) geweest is. Simone Signoret wees er al op en ze had gelijk. Maar hoe komt het. Het zou de moeite lonen dat eens na te gaan. Aan Gilliams kan het in elk geval niet gelegen hebben. Die is nog geen seconde van zijn leven behept geweest met de huidige valse schaamte voor het woord "vroeger'. Wellicht raar voor iemand die er hoogst moderne ideeën over de roman op na hield en een afschuwelijke hekel had aan de anekdotische opa vertelt-trant, maar daardoor ook des te interessanter. Temeer omdat de betrekkelijk grote verontachtzaming ("de distels der miskenning'), die hem ondanks de schielijk toegeschoven Prijs der Nederlandse Letteren in 1980, toch te beurt is gevallen, misschien ook daar mee te maken heeft. Wat bedoel ik daarmee?

Dit: evenals zijn land- en barongenoot (de barontitel voor een verdienstelijk kunstenaar, kom daar in Nederland eens om!) James Ensor over wie hij trouwens buitengewoon aardig heeft geschreven, is Maurice Gilliams altijd een bewust nostalgisch kunstenaar geweest met een desolate en vereenzamende hang naar het Verloren Paradijs. Omdat er helaas mensen bestaan die zodra ze maar een torentje van een kasteel in een stuk literatuur ontwaren dadelijk de behoefte voelen het leven van de auteur te reduceren tot een kasteelroman (rijk, beschermd en gelukkig), hoor je in zijn geval nogal eens mompelen: “Nostalgie? Geen kunst als je je bevoorrechte jeugd op een kasteel hebt doorgebracht.”

Geen kunst? Dat is de vraag nog maar. Maar wat erger is: in het kielzog van deze opvatting zijn allerlei vooroordelen komen opborrelen die nu al decennialang een zilveren spaak hebben gestoken in het wiel van Gilliams' reputatie. Hoe valt anders te verklaren dat zijn prachtige werk zo weinig gelezen wordt. Hoe valt anders te verklaren dat hij door Knuvelder met één alinea werd afgedaan. Hoe valt anders te verklaren dat Tamar hem in een van haar columns uit 1980 zonder opgave van redenen radicaal heeft afgewezen en mét hem twee van haar vrienden die het hadden gewaagd zijn werk te prijzen. Hoe valt anders te verklaren dat velen die hem nooit gelezen hebben slechts bij het noemen van zijn naam al met de woorden elitair, aristocratisch, overbeschaafd, hyperverfijnd, precieus, voornaam, chic, etcetera op de proppen komen. En in een land waar de gevestigde literatuuropvatting nog steeds voor een groot deel neerkomt op verwaarlozing van de vorm ten gunste van de zogenaamde vent en verheerlijking van de vent ten koste van de heer (=vent+vorm!) heeft een dergelijke beeldvorming natuurlijk een nefaste uitwerking op de bevordering van iemands werk, zeker als de betreffende dan toevallig ook nog geboren is in de Sinjorenstad en een duidelijke Mona Lisa-glimlach op zijn gezicht draagt.

Wrang

Maar laat iedereen toch beseffen: een verloren paradijs, ofschoon een paradijs, is nooit iets leuks. Bovendien, als iemand lijdt aan het verlies van iets wil dat nog niet zeggen dat hij dat verlorene klakkeloos verheerlijkt. Het was Gilliams' oprechte overtuiging dat het verleden rijpt in het heden. Dat zo'n gerijpte vrucht bijzonder wrang kan smaken, Gregoria of een huwelijk op Elseneur vormt er het aangrijpende bewijs van.

"Morgen trouw ik met Gregoria' luidt de eerste zin van dit boek. Morgen dat is een vrij opmerkelijk woord voor een nostalgicus om een boek mee aan te vangen. Maar vergis u niet: dit morgen is niet minder weemoedig dan het morgen van Tsjechovs "Morgen gaan we naar Moskou'. Het gaat zwaar van vroeger en men kan ervan op aan dat dat vroeger alles op alles zal zetten om de montere toekomstverwachting zo snel mogelijk de nek om te draaien. "Morgen trouw ik met Gregoria' - uit Gilliams' pen klinkt het als de opmaat tot een Gregoriaanse dodenmis. En wat ligt daar dan temidden van de schitterende bloemen opgebaard? Zijn eerste huwelijk. Meer dan veertig jaar heeft hij aan het manuscript van dit boek zitten doorwerken - in de week voor zijn overlijden was hij bezig aan de achtste versie en bij zijn dood stak bladzijde 189 nog in de schrijfmachine - maar die beginzin keert er via allerlei melodische verschuivingen zo vaak in terug dat ik vermoed dat die wel van meet af aan zal hebben vast gestaan.

Waar gaat dit boek over? Dat is niet makkelijk te zeggen van een boek dat gecomponeerd werd als een muziekstuk waarvan elke noot er toe doet. Maar Gilliams zelf heeft er iets over gezegd. Pierre Dubois (door Gilliams als een van de beste verstaanders van zijn werk beschouwd) vermeldt in zijn nawoord dat hij in 1980, dus twee jaar voordat Gilliams op tweeëntachtigjarige leeftijd stierf, een brief van hem kreeg waarin stond: “Sedert 1938 heb ik een manuscript liggen; het heet Gregoria, of een huwelijk op Elseneur. Het is een essayistisch roman-gedicht over de misère in mijn eerste huwelijk (-). Tijdens een zware depressie heb ik een hoop werk uit vele jaren vernietigd: twee grote plastic-zakken vol. Spijt heb ik er niet van (-). Gregoria is toevallig aan de vernietiging ontsnapt, - waar mijn Marietje (zijn tweede vrouw, Ch.M.) thans spijt van heeft omdat het, naar ze beweert een zo deprimant stuk schrijfwerk is.” Vervolgens noemt hij dan allerlei redenen waarom hij, enkele fragmenten daargelaten, nooit tot publikatie is overgegaan. Die redenen zijn van morele, materiële en artistieke aard. Verweg het belangrijkste lijkt me echter de reden die door Martien de Jong in zijn uitvoerige Gilliams-studie wordt vermeld: “In 1964 vertelde hij mij dat hij deze roman niet publiceerde om niemand te kwetsen van degenen die hem in zijn leven het diepste verdriet hadden aangedaan.” Waarom zou je iemand die je het diepste verdriet heeft aangedaan niet willen kwetsen? Omdat je daarmee je eigen liefde verloochent. Immers alleen degeen van wie je het diepste gehouden hebt kan je het diepste grieven. Vandaar waarschijnlijk dat dit boek geen wraakoefening is geworden. Maar een "deprimant stuk schrijfwerk' ja dat kan je het wel noemen. En zo heel toevallig zal het nou ook weer niet aan de papiermand zijn ontsnapt.

Pikzwart

Een van de motto's voorin het boek luidt: “Le monde est une terrasse d'Elseneur, un lieu dont on ne sait s'il est l'empire de l'être ou celui du n'être pas” (Roger Bodart). Ook in de titel duikt dat Elseneur op. Alweer een kasteel? Inderdaad. Maar nu als pikzwart psychisch decor van een drama dat zich zal ontwikkelen op het schoonouderlijk huis Silversande. Sinisterder decor voor de liefde laat zich nauwelijks denken. Soms rijpt het verleden wel erg wreed in het heden. Het lijkt haast of zijn dierbare moeder en zijn twee weltfremde tantes hem destijds speciaal voor deze affaire hebben klaargestoomd. Opnieuw, net als in Elias of het gevecht met de nachtegalen, is hij voornamelijk kind tussen een paar vrouwen: de aanstaande schoonmoeder, mevrouw Balthazar, Gregoria en haar zusje. Maar de betovering van vroeger die herhaalt zich helaas niet. De omgeving waarin hij terecht is gekomen is er een vol onbegrip, gekonkel en verstikking. Van liefde geen spoor. Gregoria is een candide ijskast zonder een greintje hartstocht. Zondag na zondag zitten de twee gelieven “braafjes aan de gebruiken van de burgerlijke welgemanierdheid onderworpen” als twee oude mensen voor het raam. Buiten liggen de dennenbossen en de uitgestrekte heide, maar gewandeld zal er niet worden. Nog geen hand mag er worden vastgepakt. Op de schoorsteen tikt de pendule onverdroten voort. En overal ligt het monster mevrouw Balthazar op de loer. Deze vrouw, eenzelfde soort bakstenen gevaarte als het huis waarin zij woont en met een boel katholiek haar op de tong, doet alles om de aanstaande af te houden van haar dochter en voor zichzelf in te palmen. Ze leest zijn liefdesbrieven, hoort hem uit en licht hem uitermate klef en obsceen voor over het wonder van de vrouwelijke anatomie. Waarom doet die vrouw dat. Wordt ze gedreven door begeerte, godsdienst of jaloezie? Je komt er niet precies achter. Maar er is in dit boek zoveel waar je niet achter komt. Het is onbegrijpelijk dat iemand die zegt: “Nooit tot hiertoe, is het tussen ons tweeën tot een vlotte, dartele vrijage gekomen”, de volgende dag in het huwelijksbootje stapt. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat hij werkelijk verwacht dat de huwelijksnacht alle bittere echecs tenslotte dik zal vergoeden (want dat die nacht op iets verschrikkelijks uitdraait zal ondertussen duidelijk zijn). Maar aan de andere kant, het gaat hier over de liefde en die is redeloos. Telkens opnieuw duikt de zin op: “Maar ik had Gregoria lief”. En de constante elegische taal van dit boek is zo meeslepend dat je toch overtuigd raakt en dan tegen beter weten in plotseling alles begrijpt. Tenminste zo verging het mij, verwonderd ineens mijzelf op het terras van Elseneur aan te treffen. En de mens van de eenentwintigste eeuw, hoe zal het die na lezing van dit boek vergaan? Ik denk hetzelfde. De existentiële ontzetting van Hamlet is van alle tijden.

Buurttram

Rijdende trait d'union tussen het heden en het verleden is de buurttram die met een gillend fluitsignaal af en aan over de bladzijden van dit boek dendert. Hiermee reist de hoofdpersoon voortdurend heen en weer tussen het ouderlijk en het schoonouderlijk huis, huizen die voor vroeger en nu staan. Er worden derhalve heel wat uitstapjes gemaakt naar het verleden. Om troost te zoeken, om te vluchten, om te achterhalen hoe alles zo geworden en gekomen is als het is en ook: om toch in godsnaam een klein beetje dichter bij Gregoria en de toekomstige schoonfamilie te geraken. Maar dat laatste loopt keer op keer uit op een falikante mislukking. Steeds als hij voorzichtig iets over zijn eigen verleden te berde wil brengen, krijgt hij badinerende opmerkingen te horen als: “Toe, beuzel nog maar wat. Het is gezellig de tijd ermee door te brengen”. Als hij dan perplex zijn mond houdt, wordt hem gevraagd waarom hij er mee ophoudt over zijn "bevoorrechte jeugd' te vertellen. Vooral het "kasteel' kan mevrouw Balthazar niet uitstaan: “In haar jaloerse, populaire optiek moet ons "kasteel' iets als een pittoreske rariteitenboetiek zijn geweest, met een naarstig geldverdienend papaatje; met een vrijgevig mamaatje; (-) Er zouden pluchen canapées hebben gestaan. (-) Waren de salonwanden met Arabische vuurwapens, met Turkse kromzwaarden, en met nog zoveel andere flauwekul versierd?” Niets laat die vrouw na om haar dédain te motiveren. En het is bijna schrijnend hoe hij zich dan tegenover de lezer lijkt te gaan excuseren: het landgoed was met de eigen handen van zijn vader eerlijk verdiend, het ging er heel eenvoudig aan toe, er was geen gas, geen elektriciteit en geen telefoon en bovendien: ook op een kasteel kan men eenzaam zijn. Toen ik dit las, dacht ik: misschien is ook dát wel een aspect van de nostalgie, dat je ooit een tijd hebt gekend waarin je volkomen onberekenend dingen omhelsde waarvan men je later aanpraat dat je je ervoor zou moeten schamen. Aan het eind van het boek staan dan ook de bittere zinnen: “opeens ben ik mij ervan bewust, - het kasteel uit mijn kinder- en jongelingsjaren bestaat niet meer. Thans is het landgoed aan alle kanten bebouwd met kleine nederige woningen waarin de vijanden van mijn verleden geboren worden en sterven.”

Nu heb ik eigenlijk nog geen fractie verteld van wat er in dit buitengewone boek allemaal omgaat, ik ben het me bewust. Maar zoals gezegd: het is het type boek niet om te worden naverteld (welk boek is dat type wel?).

Daar komt nog bij dat er in anekdotische zin eigenlijk vrij weinig in gebeurt. Nee, dat komt er niet bij, daar gaat het nu net om.

Gilliams' voornaamste drijfveer bij het schrijven was zelfanalyse, een onophoudelijke zoektocht naar het eigen, eenzame "binnenstebinnenste'. Daarom was het hem niet zozeer om allerlei uiterlijke gebeurtenissen te doen alswel om de uitwerking daarvan en de innerlijke reacties daarop: “Het doel van mijn kunst is niet schoonheid te scheppen. Ik wil voor mijzelf zichtbaarheid verkrijgen; spijts de intieme vernederingen die mij treffen, wil ik al schrijvende een levende idee worden in de tijd, om mijzelf te overtreffen en er iets mee terug te winnen dat verloren ging. Laat me dat verlorengegane gemakshalve het geloof van mijn jeugd noemen.” Het gedroomde boek was voor hem dan ook een boek zonder gebeurtenissen en schrijvers die hun werk er mee vol stouwden, hij is er in interviews dikwijls op teruggekomen, deden hem denken aan worstenvullers: “Het alom geprezen "feitenverhaal' waarin, och arme, zoveel luide en baldadige dingen worden beschreven, lijkt me een eindeloze... worstenvullerij. Dat een roman een verhaal moet zijn, is een simplistische, verouderde voorstelling. Iedere verstandige boekhouder, mits een weinig oefening, acht ik ertoe in staat een leesbaar verhaal te schrijven. Doch dezelfde meneer begint dadelijk scheel te kijken wanneer hij als schrijver bijvoorbeeld het zo superieure en ingewikkelde werk van Proust onder ogen krijgt: hij kan er zijn weg niet mee vinden”. Of: “Als het fijner loopt dan een verhaal over een os en een ezel heet men een literair werkstuk in Vlaanderen decadent... Waar halen ze het toch allemaal vandaan, wie leest dat toch allemaal, over kinderen die geboren worden met een waterhoofd en met puisten op hun billen...”

Avondlamp

Poëticale ideeën komen natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Gilliams heeft er nooit een geheim van gemaakt dat zijn werk puur autobiografisch was bepaald en dat hij zich strikt hield aan de "archivalische realia'. Het is frappant hoezeer hetzelfde geldt voor zijn opvattingen over het schrijven. Nog voor zijn vijf en twintigste schrijft hij in Dagboekbladen: “Geen enkel feest heb ik bij mij thuis weten vieren. Geen werkelijk, eindeloos zalige rustdag heb ik tot op heden meegeleefd. Altijd afgesloofde, gewillige en met hun lot tevreden mensen zie ik aan tafel zitten, als de avondlamp ontstoken wordt. Zover ik mij herinner hadden we ieder ons boek om vóór het slapen gaan enkele bladzijden te lezen: doch geen enkel boek verhaalde van onze beperkte wereld, waar feitelijk niets in gebeurde. In bijna alle boeken wordt er aan het verloop van een geschiedenis gesponnen.”

Nu nog iets over het taalgebruik. Gilliams schreef uiterst langzaam, alinea voor alinea. Het meeste gooide hij weg en wat hij uiteindelijk toch voor publikatie bestemd achtte, schaafde hij eindeloos bij. Dat heeft wonderschone zinnen opgeleverd en ik bedoel dat dan niet in de zin van loze esthetiek. Het neemt echter niet weg dat zijn werk hier en daar barst van de, voornamelijk grammaticale, fouten. “Wie met de Franse hond slaapt, krijgt Franse vlooien”, zeggen ze wel en ik denk dat de oorzaak daar gezocht moet worden, met dien verstande dat die hond zijn moeder was. Waarom gaat iemand in het Nederlands schrijven als hij dat veel slechter beheerst dan het Frans en er bovendien een kleiner taalgebied mee bestrijkt? Daarnaar gevraagd is Gilliams altijd weer met hetzelfde pasklare antwoord komen aanzetten: “Men kiest de taal niet waarin men schrijft, de taal kiest u, dat is een mysterie dat niemand kan oplossen”. Maar is het zo'n mysterie? Feit is dat Gilliams niet alleen een moedertaal had, maar ook een vadertaal. De moeder sprak Frans en de vader sprak Vlaams en koesterde een grote liefde voor het Nederlands. Dit taalverschil correspondeerde met twee totaal verschillende achtergronden. Zijn moeder, opgevoed op een peperduur nonnenpensionaat was afkomstig uit een sfeer van feodale vechtjassen, juristen, diplomaten en hovelingen waarbinnen voornamelijk over gemiste en toekomstige erfenissen werd gepraat. De vader, een drukker (enkele van Gilliams' eerste publikaties zijn bij hem gedrukt) kwam uit een veel eenvoudiger milieu, nam een loopje met de godsdienst en stond onverschillig tegenover geld en adel. In Gregoria komt hij uitvoeriger dan ooit aan bod en wel op zo'n manier dat het vroegere beeld van "moederskind' dat ik van Gilliams had er drastisch door veranderd is. Het is ingewikkelder. “Zoals iedere zoon ben ik de tragedie in het leven van mijn moeder”, heeft hij eens gezegd. Het omgekeerde lijkt me ook niet ondenkbaar, want zijn moeder is het die van hem een "ontrafelaar' en een "zelfkweller' heeft gemaakt. Hoe dan ook, met de keuze van zijn taal heeft Gilliams op het oog voor de vader gekozen, maar via de talloze gallicismen keert de moeder langs een achterdeurtje weer terug. Bovendien heeft hij in een interview nog het volgende geheimpje verklapt: “Het gebeurt mij nogal eens als ik het in het Nederlands niet vind, dat ik dan een hele alinea in het Frans schrijf en die nadien vertaal”. Dat verklaart alles. Bekijk slechts een paar van de tientallen voorbeelden uit Gregoria (meestal betreft het constructies met deelwoorden):

- Thans daags voor ons huwelijk, met Gregoria aan het venster gezeten, is er, in de vervlogen jaren van onze verloving, heel wat ontmoediging aan vooraf gegaan.

- Haar schoenen uitgeschopt is er een schoen lawaaiend met de hotelkamerdeur in aanraking gekomen.

- Of er op de Kempense, verlaten landweg wat te ontwaren is? Geen van ons beiden verwacht zich eraan.

- Uit de trein gestapt, het Centraal Station buitengekomen, lag het heerlijke Amsterdam breed voor me uitgespreid.

Begrijp me goed: ik vind er Gilliams niet minder om en ik vind er Gregoria niet minder om (al vind ik het niet zijn beste werk). En variërend op wat hij schreef aan Dubois: “Alles te zamen: het is een ding zoals ik er nooit een schreef”, zeg ik: “lees het, het is een ding zoals ik er nooit een las.

    • Charlotte Mutsaers