Dickens in India; Rohinton Mistry's eerste roman

Rohinton Mistry: Such a Long Journey. Uitg. Faber & Faber, 339 blz. Prijs ƒ 58,65.

Rohinton Mistry behoort tot de nieuwe generatie Indiase schrijvers die de literatuur van hun land in het Engels vorm geeft. Met auteurs als Bharati Mukherjee, Vikram Seth, Amitav Ghosh en Salman Rushdie heeft hij gemeen dat hij niet in India woont (in 1975 emigreerde hij als tweeëntwintigjarige naar Toronto). Zijn debuut uit 1987, Tales from Firozsha Baag, was een verzameling aaneengeschakelde verhalen die zich stuk voor stuk afspeelden in hetzelfde appartementencomplex in Bombay. In dat boek toonde Mistry zich een verteller in de traditie van de grand old man van de engelstalige Indiase literatuur, R.K. Narayan; zijn verhalen bestonden uit een lange reeks realistische en tragikomische vignetten van gewone mensen in hun gewone leven.

Ook in zijn eerste roman, Such a Long Journey, die werd genomineerd voor de Booker Prize, blijft Mistry de oude verhaaltraditie trouw. Opnieuw beschrijft hij het dagelijkse leven in een appartementenblok in Bombay, dit keer Khodadad Building geheten, opnieuw roept hij een microkosmos tot leven door de bewoners te laten zien in hun onopvallende bestaan. Alleen zijn alle personages dit keer gegroepeerd rondom een hoofdpersoon, Gustad Noble, een Pars die met zijn vrouw en kinderen in het gebouw woont en sinds jaar en dag op een bank werkt.

Gustad is een typisch Indiase anti-held: een goedbedoelende man die door ongrijpbare omstandigheden op de knieën wordt gedwongen, maar uiteindelijk toch kans ziet te overleven. Al zijn plannen, verwachtingen en dromen worden in de loop van Such a Long Journey een voor een teniet gedaan; alleen een combinatie van lijdzaamheid en berusting stelt Gustad in staat zijn ziel ongeschonden te laten.

Mistry schetst Gustad als een klein, fatsoenlijk mens in een grote, onbegrijpelijke wereld. De roman speelt zich af tijdens de gruwelijke onafhankelijksstrijd van Bangladesh en de daaropvolgende oorlog tussen India en Pakistan in het begin van de jaren zeventig.

Ook in zijn eigen leven volgen de rampen elkaar snel op. Zijn oogappel, zijn oudste zoon Sohrab, negeert de grootse plannen van zijn vader en weigert plotseling de technische opleiding te volgen waarvoor Gustad jarenlang krom heeft gelegen. Zijn beste vriend en rots in de branding, majoor Bilimoria, blijkt van de ene dag op de andere vertrokken en stelt na een jaar stilzwijgen Gustads loyaliteit zwaar op de proef door hem per brief in een ondoorgrondelijk politiek komplot te betrekken, waarbij zijn oude vriend als loopjongen wordt gebruikt. De collega van de bank die hem daarbij helpt, de altijd vrolijke Dinshawji, wordt ziek en sterft (Mistry geeft een lange en fascinerende beschrijving van het dodenritueel van de Parsen, die de lichamen van hun doden naar de Towers of Silence brengen en hen daar aan de aasgieren voeren). Het terrein waarop het appartementencomplex ligt wordt ook nog eens bedreigd door gemeentelijke plannen voor een verbreding van de weg die ernaast loopt, een tijdbom die aan het eind van de roman keurig ontploft.

Tradities

Gustad staat machteloos tegenover alle ellende waardoor hij wordt geteisterd, maar in laatste instantie vindt hij troost in de tradities die hem omringen. Het enige dat in deze wereld enig houvast biedt, lijkt Mistry te willen zeggen, zijn de tradities die mensen met elkaar verbinden. Hij ziet de rituelen van het geloof (en die van het bijgeloof; zowel Gustad als zijn vrouw proberen een kortere weg naar het hogere te vinden door middel van half-magische bezweringen) als iets dat mensen in staat stelt te leven met hun onzekerheden. Symbool daarvan in Such a Long Journey is een muur die het terrein van Khodadad Building afbakent. Het is een muur die iedereen klakkeloos als pisbak gebruikt, maar die uiteindelijk in een soort schrijn verandert, wanneer Gustad hem door een straattekenaar laat beschilderen met alle goden en heiligdommen uit de wereldgodsdiensten (ook deze muur is vanzelfsprekend een kort leven beschoren).

Mistry weet alle min of meer losse verhalen als een bedreven jongleur tot aan het eind van zijn boek in de lucht te houden. Net als zijn grote voorganger Narayan is hij veel aan Dickens verschuldigd en hij dwingt ontzag af door de trefzekere manier waarop hij de talloze komische en tragische en tragi-komische gebeurtenissen in zijn eerste roman tot een geheel weet te maken. Sommige van de randpersonages in Such a Long Journey zijn echter uit bordkarton van wel erg slechte kwaliteit geknipt, zoals de geestelijk onevenwichtige Pars die om de zoveel bladzijden opduikt en vanuit het open raam God vervloekt omdat Hij de rijke Parsen, zoals de Tatta's, alles geeft en hem niets. Bovendien voltrekken veel van de verhalen zich voor een hedendaagse lezer met een negentiende-eeuwse voorspelbaarheid. Veel gebeurtenissen kondigen zich ruim van tevoren aan, zonder dat de schrijver zelf zich dat bewust lijkt te zijn.

Een groter bezwaar is dat Mistry ruim een eeuw later dan Dickens met open ogen in dezelfde valkuil valt: die van de sentimentaliteit. Het larmoyante einde van de ratelende dorpsgek Tehmul aan het slot van het boek is het ergste voorbeeld. Met de plotselinge dood van dit personage, dat eerder ontroering wist op te wekken door zijn oprechte liefde voor de pop van Gustads zieke dochter, jaagt Mistry zo duidelijk op een gemakkelijk effect, dat hij de goede bedoelingen van zijn eigen roman ongeloofwaardig maakt.

    • Bas Heijne