Dichters zijn de strengste lezers; Ann Beattie over moralisme, korte verhalen en de jaren zestig

De romans en verhalen van de Amerikaanse schrijfster Ann Beattie werden in de jaren zeventig wel gekenschetst met de trefwoorden "valium en witte wijn'. In een afstandelijke en geserreerde stijl beschreef zij scènes uit de middenklasse. Haar recente werk is verhalender en minder ijzig. Beatrijs Ritsema sprak Beattie in New York. “Al mijn verhalen ontstaan uit een enkel beeld. Ik maak nooit aantekeningen, ik heb een fotografisch geheugen”.

De boeken van Ann Beattie zijn recentelijk in een nieuwe paperbackuitgave verschenen in de Vintage Contemporaries serie van Random House (ƒ 26,30). What Was Mine is nog alleen in de gebonden editie verkrijgbaar (Random House, ƒ 50,00).

"De stem van haar generatie', zo luidt het etiket voor Ann Beattie sinds jaar en dag, in ieder geval sinds de publikatie van haar eerste roman Chilly Scenes of Winter (1976). Dit boek werd door diverse critici bejubeld als "The Catcher In The Rye van de jaren zeventig' en het vestigde haar reputatie van iemand die met de neus bovenop de tijdgeest zit.

Chilly Scenes of Winter is het verhaal van een obsessieve liefde en behandelt en passant het treurigmakende dagelijkse leven van twee vrienden die na hun studententijd in wezenloze baantjes terechtkomen, of erger nog ontslagen worden. Andersom kan ook: het thema van Chilly Scenes of Winter is de matheid die over alles heen kwam te liggen nadat het elan van de jaren zestig was weggeëbd, en en passant vertelt Beattie het verhaal van een hopeloze liefde. Het hele boek is op een terloopse manier geschreven met veel oog voor de oppervlakte van de dingen (wat er gegeten wordt, welke muziek er uit de autoradio komt, hoe de typische ouwehoer-gesprekken tussen twee vrienden gaan) en minder aandacht voor de psychologie van de hoofdpersonen, die allebei nogal passief in het leven staan.

“Dit boek”, zegt Ann Beattie, “plaatste mij in de hoek van mensen die waren gedesillusioneerd door de jaren zestig. Tot op de dag van vandaag word ik gezien als een autoriteit op het gebied van de (mislukte) counterculture. Ik krijg vaak manuscripten toegestuurd van mensen die daar een roman over geschreven hebben, en dan moet ik hen van advies dienen. Ik vind het vervelend om automatisch met die periode geassocieerd te worden. Ik was in die tijd erg geïnteresseerd in alles wat er gebeurde, maar dat ben ik nog steeds - in wat er nu gebeurt. Ik ben niet stil blijven staan.”

Ann Beattie is nu 44 en lijkt nog steeds veel op de foto's van zo'n twintig jaar geleden. Haar haar is maar iets korter dan gangbaar was in de tijd van de hippiemeisjes - het valt nu net over de schouders - en af en toe strijkt ze een lok naar achteren als die haar het zicht dreigt te ontnemen. Ze is rank van gestalte en haar sportschoenen detoneren enigszins bij het korte rokje en de zijden blouse. De nagels zijn lang en dieproze gelakt. In een plastic tasje voert ze een paar pumps met zich mee om 's middags aan te trekken, wanneer ze een lezing moet houden in een bibliotheek in New York. Ze is vriendelijk met een vleugje reserve. Als haar een vraag wordt gesteld die ze al vaker heeft gehoord tijdens de vele interviews die ze het afgelopen jaar gaf, slaat ze haar ogen niet ten hemel en ook zucht ze niet. Het enige wat je merkt is dat ze een beetje docerend gaat praten en langs de interviewer heen kijkt. Haar formuleringen zijn precies en weloverwogen. Ze maakt de indruk van iemand die weet wat ze waard is en niet aan al te veel twijfel onderhevig.

1991 is een druk jaar geweest, waarin twee nieuwe boeken van haar verschenen. In februari Picturing Will, een roman, en afgelopen zomer What You Want, een verhalenbundel. Beide boeken werden goed ontvangen, maar vooral de roman wekte veel enthousiasme.

Ontheemd

Picturing Will gaat over een jongetje van zes dat opgroeit temidden van vijf volwassenen: zijn gescheiden moeder die een carrière als fotograaf begint,haar nieuwe vriend, zijn vader die in Florida woont met zijn nieuwe vriendin, en de manager-agent van zijn moeder. Het verhaal wordt in wisselend perspectief beschreven, grotendeels vanuit de volwassenen, die het heel druk met zichzelf hebben en tussen wie het kind een beetje ontheemd ronddoolt.

Picturing Will is minder ijzig dan veel van haar eerdere werk dat ooit eens gekenschetst werd met de trefwoorden "valium en witte wijn'. De distantie waarmee Beattie haar vele scènes uit de middenklasse noteerde, alsof ze een mierenkolonie in kaart bracht, is afgenomen. Niet dat het er in Picturing Will ineens gezellig aan toe gaat, maar de mist van vervreemding die bijna standaard over haar verhalen en romans lag, lijkt opgetrokken. De personages krijgen wat meer achtergrond en spreken daardoor ook meer tot de verbeelding.

Vindt ze zelf ook dat ze "warmer' is gaan schrijven? Beattie: “Ik heb mijn werk altijd voor zichzelf willen laten spreken. Het laatste wat ik wilde was de lezer voor de voeten lopen met commentaar of conclusies, want dat leek me een primitieve manier van schrijven. Mijn vroegere werk is amorfer en mijn belangrijkste doel was registratie. Nu zit er meer verhalende kracht in en ik vind het ook niet bezwaarlijk meer om te laten zien waar ik zelf sta. Ik vind het zelfs wel leuk, al moet het wel op een subtiele manier gebeuren. Mijn hoofdpersonen nodigen nu meer uit tot sympathie of antipathie; ik probeer dat er ook bewust in te leggen. Ik ben niet meer bang voor moralisme.”

In Picturing Will ligt de sympathie van de lezer aanvankelijk geheel bij Wills moeder Jody, die door haar nietsnut van een echtgenoot in de steek is gelaten en met hard werken haar fotografische ambities probeert te verwezenlijken. Ze verdient de kost als huwelijksfotograaf. Aan het eind van het boek heeft de lezer die sympathie niet meer, terwijl Jody niet expliciet van alles mis heeft gedaan. Er zitten kleine vlekjes op haar gedrag, misschien gaat ze iets te veel in zichzelf op en heeft ze iets te weinig oor voor haar vriend en haar zoontje. Het woord geestelijke verwaarlozing is te sterk. Een gebrek aan inzet dan? Zoiets moet het zijn. Will gaat er niet aan te gronde, zoals hij ook niet te gronde gaat aan een seksueel incident in een motelkamer, waar hij voor 90% getuige en voor 10% deelnemer is. Die dingen gebeuren met kinderen in een onbewaakt ogenblik, dat kun je moeder niet verwijten. Er zijn kinderen wel erger dingen overkomen. Hij hoeft er niet voor zijn leven door geknakt te zijn en dat gebeurt dan ook niet. Maar behaaglijk opgroeien is iets anders.

Ook de verhalen in What Was Mine zijn anders van toon dan haar eerdere. De hoofdpersonen geven zich bij voorbeeld over aan introspectie en zelfreflectie, iets wat daarvoor nauwelijks voorkwam. En het bereik is groter: niet alleen meer het ennui van de middenklasse, maar ook arme mensen op het platteland, een weduwe met een volwassen autistische zoon in huis, een schoolcarrière. Het is alsof de schrijfster meer boven haar onderwerpen zweeft in plaats van er zelf middenin te zitten.

Beattie: “De dingen waar ik vroeger over schreef waren vaak een beetje beangstigend. Die afstandelijkheid bouwde ik in om ze van me af te houden. Die angst voor de mij omringende cultuur heb ik niet meer. Niet dat ik het nu allemaal zo geweldig vind, maar ik ben er minder verbaasd onder. Ik heb in een commune gewoond, ik woonde met mensen samen die in een bijlenfabriek werkten en de hele tijd dope rookten. Ik ben als woordvoerder van mijn generatie bestempeld, maar het enige wat ik deed was er geshockeerd bij staan. Die reputatie heb ik vooral aan The New Yorker te danken. In The Paris Review zou niemand ervan opgekeken hebben, maar in The New Yorker vielen mijn verhalen erg op halverwege de jaren zeventig. Daar las je nooit een verhaal over een hippie die de hele dag tegen zijn hond praatte.”

Minimalisme

Ann Beattie is stevig verankerd in de traditie van het Amerikaanse realisme dat loopt vanaf Steinbeck en Faulkner tot John Cheever, Updike en Raymond Carver. Misschien komt het doordat ze meer korte verhalen heeft geschreven dan romans dat ze in de literatuurkritiek altijd in verband wordt gebracht met het minimalisme, maar zelf heeft ze in ieder geval een hekel aan dit (en elk ander) etiket.

"The sad-eyed lady of minimalism' werd ze genoemd en dit gaat terug op haar afstandelijke schrijfstijl, waaruit alle overbodigheden zijn weggesnoeid, en een terugkerende voorkeur voor het schrijven in de tegenwoordige tijd. Dit laatste heeft een dreigend, soms claustrofobisch effect: alsof de schrijver zich tegelijk met de lezer in de duisternis van het verhaal bevindt en ook niet meer overziet dan wat er binnen het schijnsel van de koplampen waargenomen kan worden. Voeg daarbij een neiging om de merken van kleren en drank te vermelden en tekstfragmenten van popmuziekhits er doorheen te strooien en het is duidelijk op welke treeplank jongere schrijvers als Bret Easton Ellis en Jay McInerney gesprongen zijn. Bret Easton Ellis is een sterk overdreven Ann Beattie. Ze haalt haar schouders op als ik haar deze verwantschap voorleg. Van Jay McInerney heeft ze alleen Bright Lights, Big City gelezen; ze vond het destijds wel goed, maar weet niet of het boek bij herlezing overeind zou blijven. Over Bret Easton Ellis kan ze niets zeggen, behalve dat ze er fysiek niet doorheen kan komen. Ze komt eenvoudig niet verder dan de eerste vijf pagina's. Wie ze interessant vindt van de jonge schrijvers zijn David Leavitt, die prachtige verhalen heeft geschreven, en Elizabeth Talent.

De merknamen, niet alleen van artikelen maar ook van personen, die zo rijkelijk in haar werk figureren (in Picturing Will komt bij voorbeeld "a book by Harry Mulisch' voor dat de ene persoon aan de andere heeft uitgeleend), zijn niet zozeer als gimmick bedoeld, maar maken deel uit van het "palet' waarmee ze schrijft. Beattie: “Ik gebruik een term uit de schilderkunst, omdat beelden voor mij heel belangrijk zijn. Al mijn verhalen ontstaan uit een enkel beeld. Ik maak nooit aantekeningen, ik werk altijd vanuit mijn geheugen. Ik heb een fotografisch geheugen. Niet als ik aan het praten ben of me iets specifieks probeer te herinneren, maar als ik schrijf. Als ik aan het werk ben en bij voorbeeld een scène in een restaurant moet doen, hoef ik mijn ogen maar dicht te doen en ik zie alles weer voor me van die ene gelegenheid waar ik aan terugdenk, compleet met soorten lampjes, behang of asbakken, of kleren die iemand aan had. Ik heb een grote liefde voor visuele details.”

Meelezers

Haar voorkeur gaat uit naar het korte verhaal, omdat ze het idee heeft dat haar sterke punten daarin beter tot hun recht komen: “Een kort verhaal kan vaak aan één detail opgehangen worden dat een heel sterk effect heeft: in romans worden die details door zoveel pagina's omgeven dat ze verdwijnen. Of je moet er steeds op terugkomen, en dan lijkt het net alsof je het erin aan het hameren bent. Een andere moeilijkheid van romans is dat je de chronologische tijd moet overbruggen, een verhaalboog construeren. Ik ben meer iemand die in momenten is geïnteresseerd. Toch is Picturing Will een geslaagde roman met chronologie en al. Sommige onderwerpen lenen zich niet voor een kort verhaal”. Beattie heeft drie jaar gewerkt aan Picturing Will en dit boek heeft haar meer moeite en frustratie gekost dan alles wat ze daarvoor heeft geschreven. Ze had wel twaalf meelezers. Voor korte verhalen heeft ze genoeg aan drie lezers: haar echtgenoot, haar beste vriendin en haar literair agent. Maar bij dit boek vond ze het veiliger om nog wat anderen in te schakelen: “Een paar vrienden die zelf niets met schrijven of literatuur te maken hebben, en ten slotte drie bevriende dichters. Die zaten helemaal achterin de leesvolgorde, want die zijn het strengst. Als de dichters hun fiat hebben gegeven, gaat de uitgever ook akkoord”. Er zijn meer dan honderd pagina's, bijna een derde van het boek, gesneuveld in de revisie. Is die tekst ook weggegooid of ligt hij nog ergens in een bureaula voor eventuele recycling? Ze kijkt me verbaasd aan, alsof ik veronderstel dat ze verzuurde melk in de ijskast bewaart. “Wat ik schrap, gooi ik weg”, zegt ze beslist, “ik streep met plezier iets door, ik gooi zonder pijn een stapel pagina's weg. Ik houd van geserreerd.”

Ik lees haar een zinnetje voor uit een van haar verhalen uit What Was Mine: "Wat mensen meemaken is één ding en wat ze er later over vertellen is iets anders.' Een centraal thema van haar werk misschien? “Ik denk het wel. Het ligt in ieder geval ten grondslag aan Picturing Will. Er valt nooit een definitieve uitspraak te doen over wat er is gebeurd. Iedereen heeft andere versies en interpretaties. Je kunt erover praten, maar vaak ook niet. Overeenstemming is een schijnzekerheid. Je kunt nooit helemaal weten wat een ander denkt. Ik sta altijd verbaasd over wat mensen me vertellen, ook heel goede bekenden. Er is niemand van wie ik kan zeggen: die heb ik in mijn zak. Ik kom altijd weer voor verrassingen te staan. Zolang dat zo is, zal ik blijven schrijven.”

Als ontwikkelingswerker zou u het niet zo goed doen.

    • Beatrijs Ritsema