De tijd moet worden afgeschaft; Fragmentarisch debuur van Philip Markus

Philip Markus: De weg naar Oude God. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 170 blz. Prijs ƒ 28,90.

Voetbal is iets voor jongensboeken en columns. Niemand in mijn omgeving kon tenminste een Nederlandse roman noemen die over voetbal gaat. Iemand wist nog wel dat Maarten Spanjer een paar jaar geleden een bundel met verhalen over onder meer voetbal had gepubliceerd, maar ook hij kon zich geen Nederlandse voetbalroman herinneren.

Toen ik de foto van een jonge Johan Cruijff op het omslag van De weg naar Oude God zag, dacht ik even eindelijk een heuse Nederlandse voetbalroman in handen te hebben. Maar ook dit debuut van Philip Markus (1956) bleek uiteindelijk niet voor deze kwalificatie in aanmerking te komen. Daarvoor speelt Nederlands populairste sport er toch een te ondergeschikte rol in.

De weg naar Oude God begint met een bezoek van de ik-figuur, die ook Philip Markus heet en schrijver is, aan een kerkhof in Oude God, dat gezien het aan de "Grote Oorlog van 1914-1918' gewijde monument dat er staat, ergens in Groot-Brittannië moet liggen. Aan het eind van het boek komt Philip Markus weer op een kerkhof, dit keer in Florence. Daar bevindt zich het graf van Elena Comparetti Rafallovich over wie hij om duistere redenen meer wil weten. Het begin en einde suggereren een eenheid, maar het verband tussen de vele andere fragmenten waaruit het boek bestaat is meestal ver te zoeken.

Die fragmenten gaan niet alleen over Ajax, voetbalstadions en voetballers, maar ook over zwervers, de gedempte grachten van Amsterdam, de macht van de media, totalitaire regimes, concentratiekampen en discotheken. Johan Cruijff, Ruud Gullit, Dennis Bergkamp, Paul Gascoigne en andere (ex-)voetballers figureren in het boek naast Stalin, Goebbels, Zjdanov, Pythagoras, René Descartes, Arthur Koestler, Brunneleschi, Vitrivius, Albert Camus, Vladimir Nabokov en vele, vele andere beroemdheden.

Sommige fragmenten zijn ronduit flauw, zoals de beschrijving van NOS-verslaggever Eddy Poelmann (piekhaar, bewegende neusgaten en roos), andere nemen een surrealistische wending, zoals dat over een nachtelijke bushalte in Rome waar plotseling een officier uit het tsaristische leger verschijnt. Soms zijn ze onbegrijpelijk: “Er bestaat een intellectueel winkelcentrum waar de roddel "discours' is geheten. Er staan gele glascontainers en grijze papierbakken. Men beweegt in cirkels om elkaar heen, verdraait of citeert elkaars woorden. Achter het citaat schuilt de leegte.” Dan weer zijn de fragmenten schools en saai, zoals de uitweidingen over de renaissance-kerken, waarvan de harmonieuze verhoudingen volgens Markus vergelijkbaar zijn met die van een voetbalveld. Voortdurend wordt de lezer overstelpt met meningen en meninkjes: Vladimir Nabokov is een "aansteller', Marcel Proust schrijft in "tierenlantijnentaal' en Willibrord Frequin had "voorgoed en voor eeuwig op zijn rottende roomse gevulde-koekenbek (-) geslagen' moeten worden. En nooit, maar dan ook nooit zijn de observaties boeiend of geestig, ook niet die over voetbal.

Af en toe dacht ik tijdens het lezen van De weg naar Oude God te maken te hebben met een parodie op een deconstructivistische tekst, waarin "hoge' en "lage' cultuur even belangrijk zijn en de lezer opzettelijk in verwarring wordt gebracht door onsamenhangende tekstflarden. Maar wie zinnen schrijft als “Deze tijd moet worden afgeschaft” en “Het is zaak niet alles te willen benoemen”, kan geen grappenmaker zijn. Die meent wat hij schrijft. Helaas.

    • Bernard Hulsman