De gemeente heeft geen standpunt; Zakt het doek voor de schouwburg?

Sinds de opening van de Amsterdamse Stadsschouwburg plaatst de architectuur ervan toneelgezelschappen voor problemen. Men klaagde over de akoestiek en het slechte zicht van veel plaatsen in de "bakstenen zwarte Piet'. Onlangs werd voorgesteld dat het huisgezelschap Toneelgroep Amsterdam moet fuseren met het "eerste theater des lands'. Hoe kan een barokke schouwburg voldoen aan de wensen van een hedendaags gezelschap?

De Amsterdamse Stadsschouwburg heeft twee tradities. De ene is die van eerbiedwaardige tempel voor de toneelkunst. De andere is die van het gebouw met het vergulde, onwrikbare lijsttoneel dat de enscenering van voorstellingen dicteert. Een gezelschap als de Nederlandse Comedie ging aan het Leidseplein ten onder. Het is de schouwburg met de slechte zichtlijnen en het beruchte dode punt in de akoestiek ter hoogte van de dertiende rij.

In 1970 legde decorontwerper en adviseur voor de bouw van schouwburgen Wim Vesseur de vinger op de wonde. “Wie als vaste bespeler in de Stadsschouwburg gaat zitten is ten dode gedoemd. Het is een kostelijke schouwburg, fijn om te hebben en je kunt er van alles in doen: bepaalde stukken uit het klassieke repertoire in klassieke ensceneringen. Maar het is grote waanzin, er in te trekken met hedendaags toneel zodra je ook maar in de verte aan moderne vormgeving wil gaan denken.”

De schouwburg heeft minder gunstige bijnamen als "torentjesburcht', "bakstenen zwarte Piet' of "the beautiful thing of bad taste'. Hij is, als enige schouwburg ter wereld, opgetrokken op een brede brug. Toen het huis in 1894 werd geopend, viel de vergelijking met "een epos, overladen met oratorische ornamenten en vele de hoofdhandeling afbreukdoende episoden en incidenten'.

Architectonisch is de eerste schouwburg van het land ontworpen naar de maatstaven van 19de-eeuwse, klassieke theaters. De barok versierde, gebeeldhouwde toneellijst breekt de eenheid van Bühne en zaal. De zichtlijnen vanaf de zetels concentreren zich op het hart van het voortoneel. Pal voor het voetlicht. Het perspectivisch brandpunt. Daar stond de negentiende-eeuwse acteur op zijn vooruitgeschoven post, frontaal naar de zaal. Zichtbaar tot op het schellinkje. De armen in klassieke, herkenbare pose.

Zodra een regisseur in de diepte wil gaan werken of in de breedte, kortom, zodra hij de hele ruimte binnen de lijst wil betrekken in het spel, dan rijzen onherroepelijk problemen. Van de kleine duizend stoelen kunnen er dan gevoegelijk twee- tot driehonderd afgewezen worden, de "blinden- en dovenplaatsen" vanwaar de voorstelling niet is te volgen. Dat zijn de zetels aan de zijkant van de zaal en op de balkons, waar die de toneelopening naderen. Het derde balkon biedt de toeschouwer het nadeel dat de diepte van het podium onzichtbaar is: doet de acteur enkele passen naar achteren, dan verdwijnt hij uit het zicht. Zo was het bij voorbeeld niet verantwoord voor Bakeliet van Gerardjan Rijnders meer dan vijfhonderd plaatsen te vergeven.

De negentiende-eeuwse architecten hielden geen rekening met de scenische verbreding van het toneelspel. Voor hen was toneel de kunst van twee, hooguit drie steracteurs per avond. Die schitterden op het proscenium. De rest was figuratie. De Bühne was als een schilderij omsloten door een vergulde lijst, waarin zij naar voren traden.

Toneelgroep Amsterdam, sinds vijf jaar vaste bespeler van het huis aan het Leidseplein, heeft enkele malen te kennen gegeven zich steeds moeilijker met de dwingende architectuur van het gebouw te kunnen verenigen. Daarmee wordt een nieuw hoofdstuk geschreven in het aloude vervolgverhaal van de "torentjesburcht'. De eerste schouwburg van het land en het eerste gezelschap van het land zijn in conflict met elkaar. De schouwburg en de faciliteiten schieten te kort om het theater de taak te geven die het betaamt, namelijk ijkpunt zijn van het Nederlands toneel en vernieuwingen te ontplooien. Het huis aan het Plein is een monument, van binnen en van buiten. Wat er met een uit dezelfde tijd stammende schouwburg als het Théâtre de la Ville in Parijs gebeurde, is in Amsterdam ondenkbaar. Daar werd het hele innerlijk eruit gesloopt, inclusief balkons en baignoires, om plaats te maken voor een speelvloer even breed als de zaal zelf. Er kwam een nieuwe tribune, te bereiken via trappen aan weerskanten. Parijs was een nieuw theater rijker dat voldeed aan de eisen van hedendaagse toneel.

De droom van de zakelijke en artistieke leiding van Toneelgroep Amsterdam is een onbestemde ruimte. Die droom is niet nieuw, eigenlijk bijna een eeuw oud. In een onbestemde ruimte is de enscenering van een voorstelling niet afhankelijk van de rotsvaste plaats van de toneeltoren, waarin zich het licht en de techniek bevinden. Het is onmogelijk een voorstelling te monteren die buiten het bereik van de toneeltoren valt. Niet de artistieke ideeën van een regisseur bepalen waar in een schouwburg wordt gespeeld en in welke stijl, maar de architectuur beheerst de enscenering. Dit geldt voor andere schouwburgen in het land, bij voorbeeld de Koninklijke in Den Haag. Hoewel die zaal in akoestisch opzicht beduidend beter is, klinkt ook in de residentie de roep om een theater waarin de speelmogelijkheden niet door een vaste lijst beperkt worden.

Het is verleidelijk de grief van regisseur Gerardjan Rijnders tegen de Stadsschouwburg te beschouwen als een gril van de laatste tijd. De archieven van het gebouw spreken andere taal. Het Algemeen Handelsblad gaf in 1954, ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van het theater, een bijlage uit waarvan de toon hier en daar somber is. De schouwburg had toentertijd te kampen met leegstand, bovendien was men onvoldaan over de kwaliteit van het toneelspel "in het knekelhuisje van voorvaderlijke schijngrootheid'. Er staat: "Een lege schouwburg is een onding, een lege Stadsschouwburg is iets waar niemand aan zou durven denken, waar geen woorden voor zijn'. Een huisgezelschap, hecht verbonden met het gebouw en ten volle verantwoordelijk voor de programmering, is er nooit geweest. Er was zelfs, kortstondig, sprake van om in de schouwburg geen enkel gezelschap vast aan te stellen en aan vrije produkties en gastvoorstellingen de bespeling over te laten. Op dit ogenblik dient dat plan zich weer aan bij de Gemeente Amsterdam, die een commissie in het leven heeft geroepen om bezuinigingen op onder andere cultuur vast te stellen. Het advies van die commissie luidt de schouwburg aan de commerciële programmering over te laten.

Zolang de schouwburg aan het plein er staat, heeft de gemeente zich nooit uitgesproken over de bespeling van het gebouw, de verplichte speelbeurten van het vaste gezelschap en op welke manier de gemeente een bijdrage biedt. De gemeente heeft geen standpunt. Toneelgroep Amsterdam heeft zijn eigen norm vastgesteld en speelt in het seizoen circa honderd voorstellingen in de schouwburg. Van de dertien nieuwe voorstelingen voor het aanstaande seizoen gaan er vier in première in de grote zaal van de schouwburg en drie in de Bovenzaal. Daarnaast bespeelt het gezelschap Bellevue.

Onlangs is door de Amsterdamse wethouder van cultuur de fusie voorgesteld tussen de schouwburg en Toneelgroep Amsterdam. Het plan moet in januari 1992 gereed zijn en behelst de periode 1993-1996. Opnieuw een teken dat Amsterdam zich van de verantwoordelijkheid van het theater distantieert. Want het vaste gezelschap heeft al vaak te kennen gegeven zijn artistieke eisen niet met het interieur van de schouwburg te kunnen verenigen. Bovendien wil Toneelgroep Amsterdam een eigen theater met een open, veelzijdige speelruimte. Die heeft ze gevonden in de gashouder van de Wester Gasfabriek en de belendende panden aan de Haarlemmervaart. Binnen afzienbare tijd hoopt de groep daar zijn artistieke thuishaven te bezitten.

Bezegelt de gemeente hiermee de versnelde ondergang van de Stadsschouwburg? Probeert ze opnieuw op het gebouw te bezuinigen? Waarom kwam er wel een gebouw voor de opera maar niet voor het toneel? Er is een antwoord mogelijk: de gemeente zou over de brug moeten komen met geld voor een nieuwe schouwburg, en wel nu. Het liefst in de binnenstad. Er zijn in de loop van de jaren zoveel locaties genoemd: het Museumplein, de huidige Balie, het Weteringcircuit en de IJ-oever. Een schouwburg bovendien die in het beheer is van de vaste bespeler, zonder tussenkomst van een door de gemeente aangestelde directeur.

Op dit ogenblik is de schouwburg een soort provinciaal theaterhuis, waar naast toneelvoorstellingen modeshows zijn, musicals en vrije produkties. Een Carré in het klein. Neemt Toneelgroep Amsterdam de wijk naar de Wester Gasfabriek, dan valt het huis aan het Plein ten prooi aan een theatercultuur die niet bepalend zal zijn voor het Nederlandse toneelleven. De programmering zal commercieel zijn. Nu stuurt de gemeente in haar onderzoekscommissie voor de komende jaren daar al op aan.

Een fusie vereist een intendant die de programmering behartigt. Op dit ogenblik is onduidelijk of dat Gerardjan Rijnders zal zijn. Wel heeft Toneelgroep Amsterdam een oplossing voorgesteld, om een band te behouden met het gesmade èn geliefde gebouw. Het sinds 1894 onoplosbare probleem van het gebrek aan eigen ateliers en repetitieruimte in de schouwburg kan verholpen worden door in de Wester Gasfabriek, behalve een aantal voorstellingen uit te brengen, ook te repeteren voor grote zaal-produkties bestemd voor de Stadsschouwburg. Het probleem van de gewraakte lijst is dan niet uit de wereld, wel heeft het gezelschap de mogelijkheid in de Gashouder voorstellingen te creëren die overeenstemmen met zijn idealen en die voldoen aan de eisen van het hedendaags theater. Dan is de vaste bespeler ontkomen aan de dood die Wim Vesseur voor een dergelijk gezelschap profeteerde en is de artistieke betekenis van het sprookjeskasteel met al die bakstenen torentjes gewaarborgd. Toch is het dan weer de gemeente geweest die de "bakstenen zwarte Piet' van zich heeft afgeschoven en de oplossing overlaat aan een toneelgezelschap.

Als er geen zicht is op een nieuw theater voor Amsterdam, en de gemeente toont geen enkel initiatief in die richting, dan lijkt het voorstel van Toneelgroep Amsterdam het beste, hoewel nog steeds verre van volmaakt. De hoofdstad zet haar traditie voort van gemis aan standpunt. Nog steeds wordt hier theater dat adem en ruimte nodig heeft gewrongen in het strenge keurslijf van een barokke schouwburg die op de dag van opening al verouderd was.