DE AANGELEGDE TUIN

De kleine prins en zijn vluchtende familie waren veilig overzee gekomen en de koning van het gastland had een paleis ter beschikking gesteld. Paleizen genoeg, moet hij gedacht hebben. En zo was het ook, maar dit paleis viel bij nadere kennismaking niet mee. Meer geschikt voor planten, heesters en zelfs kleine bomen dan voor mensen. Naast elkaar stonden een Begoniahuis, een Palmenhuis en zelfs een Sparrenhuis. Allemaal omringd door een prachtig aangelegde tuin met brede lanen, waar elk grindsteentje zijn eigen plaats had.

Geen plaats dus voor mensen? Jawel. Het eigenlijke paleis stond in een hoek van de tuin bij een bocht in een rivier. Een klein gebouw. Niet veel meer dan een danszaal en een zuilengalerij, had de grootmoeder van de kleine prins gezegd. En ook nog: Dat is precies wat je grootvader nodig heeft.

Ze wandelde elke dag met haar kleinzoon door de lanen van de tuin. En altijd op de terugweg naar de bank, die voor het paleisje aan de oever van een naar het oosten stromende rivier stond. Zodra ze waren gaan zitten, keek ze achterom en zei: Hij danst. Hij danst al zijn zorgen weg. Hij denkt niet meer aan daarginds. En ze wees naar het oosten.

De prins dacht ook niet aan daarginds. Hij keek wel even naar het oosten, maar hij kon niet veel zien, want de rivier verdween achter hoge bomen om een bocht. Maar hij wees wel en hij vroeg: Gaat de tuin daar verder?

Nee, zei de grootmoeder. Ze weten hier van ophouden. En ze houden niet van wildernissen. Een overoudoom van je - dat betekent een broer van je overgrootvader - heeft hier gewoond. Hij zou koning zijn geworden, maar hij is te vroeg gestorven. Toen heeft zijn vrouw, die daardoor geen koningin werd, deze tuin laten aanleggen. Omdat haar man hier zo graag wandelde. Door de bossen of door de velden of door wat hier toen was. Misschien heeft ze gedacht, dat ze hem hier nog eens zou tegenkomen, hem hier zou terugzien. Ach, wat zal ze hebben gedacht. Maar deze tuin is toch aangelegd. De balzaal was er al. Er is altijd wel een balzaal voor mensen als je grootvader.

Ze stond op, draaide zich om en keek naar het kleine paleis. De kleine prins had niet geluisterd. Hij zong:

Mijn vader is, de koning van Germanje, mijn moeder is, de koningin van Spanje, van rom bom, wat maal ik er om.

Zijn grootmoeder keek op hem neer. Ze zei: Ja, daar ben ik ook bang voor.