Waterkuur

De wetenschapsbeoefening in Nederland verheugt zich in een toenemende belangstelling en niet alleen omdat daar een bureau voor is opgericht. Sinds de kritische jaren zeventig wenst de mondige burger zijn vooroordelen duchtig te onderbouwen en wetenschapsjournalisten hebben er een dagtaak aan om hem te bedienen. In exponentieel groeiende bijlagen behandelen zij de gevaren van biotechnologie, de gevaren van kernenergie, de gevaren van kolenstoken, die van de geautomatiseerde persoonsregistratie, van overmatig alcoholgebruik, van sportbeoefening en onveilig vrijen, van drijfgassen, van bestrijdingsmiddelen, mest, mist, vet en wat er nog meer zo ongevaarlijk leek. Hier en daar bestaat nu de indruk dat wetenschap alleen boeien kan als zij bedreigend is. Of als het gaat om het Zeer Grote en Zeer Oude dat men in rode reuzen, blauwe dwergen en zwarte gaten aantreft.

Maar regelmatig ontvangt deze krant brieven van lezers die juist minor-problems ter oplossing aanbieden. Kleine maar hardnekkige problemen die ze graag beantwoord zien vóór ze het tijdelijke loslaten, want het zijn vooral oudere lezers - heren meestal, gepensioneerde ingenieurs niet zelden - die met restproblemen kampen. Hoe komt het toch, schreef een lezer, dat theeblaadjes en suikerkorreltjes naar de bodem van mijn theekopje zakken maar zich in het midden van dat kopje ophopen als ik in die thee roer? Ze zouden toch naar de zijkant van het kopje moeten gaan?

En er is zoveel. Waarom zijn vlekken altijd aan de rand het donkerst? Bestaan er reuzedruppels? Waarom verzamelt schuim op sloten en plassen zich in strepen? Waarom mislukt altijd de eerste pannekoek en kan schuim van eiwit niet tegen eigeel? Waarom gaat de zeepbel van de bellenblazer omhoog als er gewoon lucht in zit? Maken twee luidsprekers twee keer zoveel lawaai als één luidspreker?

Soms schuilt het probleem alleen in een waarneming die men al die tijd niet onder de knie kreeg. Hoe vliegt een vlieg van het plafond: met een "schroef' of een "loop'? Veroorzaakt regen alleen 's zomers bellen in regenplassen of ook 's winters? Klinkt een warme waterstraal in de gootsteen anders dan een koude? Hoe treedt de lucht in het inktreservoir van een vulpen die men geleidelijk leegschrijft?

Dan weer betreft het een experiment dat men niet zelf aandurft: is er zonder gevaar dieselolie in een petroleumvergasser te verbranden? Kun je veilig oversteken achter een fietser die door een regenplas rijdt, zoals prof.dr. M.G.J. Minnaert nog meende? Word je als dekpassagier meegezogen als de Titanic zinkt? Maakt het uit van welke hoogte je uit een vliegtuig valt? Aan hoeveel ballonnen kan een ballonnenkoopman zich zelf oplaten?

Wie de brieven en uitgesproken problemen bijeenbrengt ontwikkelt een scherpe kijk op het raadselachtige van het dagelijks bestaan. Het gaat niet aan de problemen te blijven ontlopen.

Vorige week werd de redactie techniek benaderd door lezers van een afwijkende categorie die zich afvroegen wat de waarde was van het vermagerings-advies dat zij in een Frans damesblad aantroffen: veel koud water drinken. Het is niet de opzet van deze rubriek een dergelijke vraag met hoongelach af te doen, al viel het deze keer niet mee voedingsdeskundigen tot het geven van een ernstig antwoord te bewegen. Het helpt, zei de een, zoals een appel ook dienst kan doen als anti-conceptiemiddel. ""Niet voor, niet na, maar in plaats van.''

Ja! Haha! Zo had het Franse vrouwenblad het niet bedoeld. De Fransen hadden opgemerkt dat het meeste water dat men drinkt kouder naar binnen gaat dan naar buiten en dat er dus ergens onderweg joules ("calorieën') aan het lichaam worden onttrokken. Wel, men rekent eenvoudig uit hoeveel warmte er nodig is voor de opwarming van twee liter water van nul graden tot 37 graden: 310 kilojoules. Personen van gemiddeld postuur zonder speciale extra lichaamsbeweging hebben per dag zo'n 10 megajoule aan voeding nodig heeft. De Franse truc zou de calorieënbehoefte dus hoogstens met enige procenten vergroten, ware het niet dat het water gewoon de warmte opeemt die het lichaam anders aan de buitenkant had afgestaan. Het nuttig effect van overmatig koud water drinken moet schuilen in de braakneigingen die men drinkend ontwikkelt.

Indringender is de vraag waarom sommigen alleen al van de wind zwaarlijvig lijken te worden en dat anderen, van identiek postuur, van tien zakken patat-met niet aankomen. Is dat het verschil in ruststofwisseling, het onontkoombare verbruik aan joules dat ook in bed doorgaat? Dat staat, zegt prof.dr. M.B. Katan van de Wageningse vakgroep voeding, nog steeds niet vast. Er zijn wel verschillen in ruststofwisseling, onder meer bepaald door de verhouding vet en actief weefsel, en ook zijn er wel verschillen in de efficiency van de voedselverwerking, maar algemeen neigt men tot het oordeel dat de verklaring komt van verschil in activiteit en - vooral - de foute schatting van de hoeveelheid voedsel die men opneemt. Veel zwaarlijvigen vertonen een systematische onderschatting van hun voedselopname, zelfs, soms: juist, als men ze dwingt daarover een dagboekje bij te houden. Dat is in al zijn eenvoud de uitkomst van zeer gecompliceerde experimenten van de Maastrichtse vakgroep humane biologie, waaraan tenslotte zelfs water te pas kwam dat met (stabiele) isotopen "gelabeld' was. Dat zwaarlijvigen gewoon niet wéten hoeveel ze eten.

    • Karel Knip