Verlaagde ambitie

HET WAS EEN OUDE inlichtingenval waarin de Nederlandse regering met haar Europees beleid was gelopen. De informatie dat het Nederlandse verdragsontwerp voor een Europese Politieke Unie (EPU) zwaar weer mocht verwachten, dat de marges smal waren, had Den Haag wel bereikt, maar de verwerking ervan had niet goed gefunctioneerd.

Met deze summiere uitleg door premier Lubbers van het waarom van het Nederlandse fiasco moest de Kamer zich gisteren tevredenstellen. De bedoelingen waren goed geweest, de voorstellen conform de wensen van de volksvertegenwoordiging, ook overeenkomstig de punten die tot voor kort in het Europese integratieproces als belangrijk werden gezien en in de nabije toekomst weer "toetspunten' zullen worden, maar het klimaat in Europa was veranderd, de gemeenschapszin was tijdelijk teruggelopen, de economie had niet meegewerkt en het kabinet had het geheel foutief beoordeeld.

Uit de uiteenzetting van de premier kan worden afgeleid dat in Den Haag de verwerking van de "ernstige tegenslag', van "de emmer water' die men over zich heen had gekregen, is begonnen. De weinige resterende Haagse knikkers zijn geteld. De schok van het Nederlandse debâcle heeft niet alleen Den Haag getroffen, zo heet het, maar slaat ook terug op de andere hoofdsteden. Er is nu volgens Lubbers tenminste een committering op minimum basis van alle landen en de EG als geheel is “dichterbij een voor ons bescheiden resultaat” gekomen. In de herinnering zou het Nederlandse ontwerp op die manier kunnen uitgroeien tot het ramschip waarachter de sloep met de Luxemburgse voorstellen alsnog de veilige haven van de top in Maastricht kon worden binnengeloodst. Alleen, zo is het niet bedoeld geweest.

HOE DE ZAKEN er echt voor staan, is het kabinet intussen niet ontgaan. Nederland zal zich ermee moeten verzoenen dat “verbreding van de Gemeenschap en een verlaging van de ambitieniveaus de voorrang krijgen”.

De premier wilde hiermee zeggen dat straks in Maastricht een "point of no return' zal worden gepasseerd, dat de druk van Europese landen om op de een of andere manier tot de interne markt van de Gemeenschap te worden toegelaten, niet langer kan worden weerstaan, en dat onder die omstandigheden het perspectief van een geïntegreerd politiek en parlementair Europa voor lange tijd, zo niet voor goed verdwijnt. De volgorde van eerst verdieping en dan verbreding zal worden verlaten.

Welke ambitieniveaus worden verlaagd, hangt af van de invalshoek waaronder Europa wordt bekeken. Zeker zullen Nederland en Frankrijk moeten slikken, Groot-Brittannië bepaald niet en waarschijnlijk evenmin de Bondsrepubliek waar - met voortdurende buigingen voor het ideaal van het verenigde Europa en het Europese Duitsland - de toenadering tot Midden- en Oost-Europa de hoogste prioriteit heeft gekregen. Die werkelijkheid wil Nederland nu dus betrekkelijk ontspannen onder ogen zien. Uit het gemak waarmee dit kabinet van zijn eigen verdragsontwerp inmiddels een hoedje van papier heeft gemaakt, mag worden afgeleid dat het van het begin af allemaal niet zo ernstig gemeend is geweest. De Europese partners hadden de façade heus niet zo hardhandig aan stukken hoeven te scheuren.