NA DE ECHTSCHEIDING

Gehoord: de redactie van een Nederlands tijdschrift vraagt aan een psycholoog of zij een artikel wil schrijven over de invloed die het op kinderen kan hebben als ze in een een-oudergezin opgroeien. Haar antwoord is: nee, want dat is een achterhaalde vraag: een-oudergezinnen zijn zo gewoon geworden, dat dat voor kinderen niets meer uitmaakt.

Niet bekend

Het antwoord van de betreffende psycholoog lijkt dus meer te zijn ingegeven door ideologische verlangens dan door empirische kennis. Het is dan ook meer in overeenstemming met de onzekere stand van zaken wat betreft echtscheidingsonderzoek dat afgelopen zomer drie vooraanstaande Amerikaanse tijdschriften (Child Development, Developmental Psychology en Psychological Bulletin) vrijwel tegelijkertijd uitkwamen met belangrijke artikelen over kinderen, echtscheiding en eventueel stiefouderschap. De teneur was duidelijk: ""Wat weten we nou eigenlijk? Nog lang niet genoeg om definitieve uitspraken te doen.''

Mavis Hetherington - de Amerikaanse moeder van het echtscheidingsonderzoek - hield tijdens een internationale conferentie in 1987 een belangrijke rede met als thema Winners, Losers and Survivers. Er zijn kinderen die diep in de problemen komen, en kinderen die zich door een zekere sociale behendigheid redden.

Maar wat voor een bepaald kind de kans uitmaakt op winst, verlies of overleving is een nog niet te overziene mengelmoes. Karakter, leeftijd en sekse van het kind zitten daarin, de aard van moeder, vader en eventueel stiefvader, het sociale netwerk rond het gezin, enzovoort.

Dat het niet om een optelsom van zulke factoren gaat, maar dat zij ten positieve of negatieve op elkaar inwerken, illustreerde Mavis Hetherington met onderzoeksgegevens over steunende contacten in het sociale netwerk. Moeders met grote emotionele problemen bleken het minst in staat effectief gebruik te maken van volop aanwezige hulp, terwijl moeders die het toch al niet zo moeilijk hadden ook van beperkte hulp konden profiteren.

Er is al met al nog te weinig bekend over de invloed van allerlei mogelijke combinaties van factoren. Uit de artikelen in bovengenoemde tijdschriften blijkt dat de onwetendheid nog verder reikt. Zo is bijvoorbeeld het meeste onderzoek gedaan naar de effecten van echtscheiding op jonge kinderen. Dat is een weerspiegeling van de algemeen gangbare gedachte dat als een scheiding plaatsvindt als ze zo'n jaar of elf, twaalf zijn, je beter kunt uitleggen wat er aan de hand is en dat dus de invloed minder hevig is.

Het (schaarse) onderzoek dat onder adolescenten is gedaan, ondersteunt deze veronderstelling echter niet. De tienerjaren staan bekend als een gevoelige leeftijd en een echtscheiding is dan waarschijnlijk toch een extra belasting. Enige aanwijzingen daarvoor meent men niet alleen te zien in gegevens van kinderen van wie de ouders inderdaad pas uit elkaar gaan na het tiende jaar. Ook jonge kinderen die de scheiding na enige tijd lijken te hebben verwerkt, hebben in de adolescentie en in de volwassenheid relatief meer problemen dan kinderen van ouders die bij elkaar zijn gebleven. Kinderen in de leeftijd van de basisschool tot en met die van het vervolgonderwijs lijken zelfs gevoeliger te zijn voor echtscheidingseffecten dan heel jonge of niet volwassen kinderen.

Naar sekseverschillen in het verwerkingsproces is wel veel onderzoek gedaan, maar hoewel vaak gevonden wordt dat zoons en dochters verschillend reageren op de scheiding van hun ouders blijkt daarover bij nader inzien toch nog veel onzekerheid te bestaan. Dat wil zeggen: men heeft wel een bepaald invoelbaar profiel van hoe die verschillen zouden kunnen liggen, maar niet in elk onderzoek komt dit pregnant naar voren.

Het volgende onderscheid moet dus met enige voorzichtigheid worden gehanteerd. Meisjes verwerken hun tobberijen meer van binnen, jongens zetten het vaker om in lastig gedrag, waardoor het ogenschijnlijk lijkt dat zij het moeilijker hebben. De problemen van meisjes beginnen meestal al in de periode vóór de scheiding als er veel huiselijke conflicten zijn, die van jongens pas erna.

Men verklaart dit door de aard en opvoeding van meisjes, die meer dan bij jongens gericht is op meeleven, meevibreren. Jongens kunnen zich makkelijker afsluiten voor narigheid, totdat het - zoals in de vorm van een echtscheiding - onontkoombaar voor hun neus staat. Als er een stiefvader in het gezin verschijnt betekent dat voor veel jongens een verbetering, voor meisjes een verslechtering, met name tussen negen en vijftien jaar. Zij gaan de confrontatie met moeders nieuwe man niet openlijk aan, maar sluiten zich af voor zijn toenaderingen door bokkig zwijgen en negeren. Heel voorzichtig wordt hier en daar gesuggereerd dat dit doorwerkt in haar latere relaties met mannen in het algemeen, die dan gekenmerkt worden door zich terugtrekken als een emotioneel appèl wordt gedaan. Dit is een voorbeeld van een mogelijk effect op lange termijn, dat onzichtbaar blijft als men het onderzoek beperkt tot het actuele verwerkingsproces rond de echtscheiding.

Amato en Keith maakten een meta-analyse van 92 onderzoeken, waarbij in totaal ruim 13.000 kinderen waren betrokken. Op basis daarvan durven zij op twee punten wat definitievere uitspraken te doen. De eerste is dat echtscheiding in het algemeen inderdaad een negatieve invloed heeft op de kinderlijke ontwikkeling en op hun persoonlijk welbevinden. Als groep komen de echtscheidingskinderen er ook op langere duur minder goed af dan de kinderen uit volledige gezinnen als groep. Het verschil is statistisch wel significant, maar gelukkig niet groot, al stellen Amato en Keith: ""The view that children of divorce adapt readily and reveal no lasting negative consequences is simply not supported by the cumulative data in this area.''

Bij hun analyse kwamen interessante dingen naar voren. De gevonden verschillen waren veel groter bij methodisch slechte onderzoeken dan bij zo gecontroleerd mogelijke onderzoeken. Als onderzoekers beweren dat zij zéér nadelige gevolgen hebben geconstateerd, moet men dus achterdochtig worden en goed naar de kwaliteit van het onderzoek kijken! Ten tweede constateerden Amato en Keith dat bij oudere onderzoeken grotere verschillen naar voren kwamen dan bij latere. Zij menen dit te kunnen verklaren doordat echtscheiding inderdaad "gewoner' is geworden en doordat ouders langzamerhand attenter zijn geworden op de nadelige gevolgen voor hun kinderen en actiever proberen de kans daarop te verkleinen. Maar - ten derde - onderzoeken die uitsluitend ouders als informatiebron gebruiken komen op kleinere verschillen uit dan wanneer ook anderen een beeld van het kind geven en objectieve tests worden gebruikt. Dat wijst er dan weer op dat gescheiden ouders ertoe neigen de problemen van hun kinderen te onderschatten.

Als echtscheiding op de kinderen een negatief effect blijkt te hebben is de volgende vraag hoe of dat komt. In de literatuur komt men drie clusters van oorzaken tegen. Het ontbreken van de vader in het gezin, de financieel-economische zorgen en de conflictueuze sfeer. Deze driedeling is niet geheel ideologievrij. Zo wordt in feministische kring veel meer nadruk gelegd op de tweede oorzaak dan op de eerste. Uit de analyse van Amato en Keith blijkt het nu vooral de derde te zijn met de andere twee als versterkende factoren eromheen.

Daarmee geven zij - althans voorlopig - uitsluitsel over een vraag die al langere tijd wordt gesteld en die bij de sekseverschillen al even om de hoek kwam kijken: is het misschien de gespannen situatie in huis tussen ruziënde ouders die de kinderlijke ontwikkeling verstoort en niet zo zeer het feitelijk uiteengaan? Bovendien zou het een verklaring kunnen zijn voor het feit dat heel jonge kinderen relatief minder nadeel ondervinden dan kinderen in de schoolleeftijd en ouder. Zij hebben minder spanningen in huis meegemaakt, in ieder geval van kortere duur. Voorlopig lijkt de strategie "wachten tot de kinderen groot zijn' dus niet door systematisch onderzoek te worden ondersteund.

P.R. Amato & B. Keith: Parental Divorce and the Well-Being of Children: A Meta-Analysis. In: Psychological Bulletin, 110, 1, 1991.

W.J. Doherty & R.H. Needle: Psychological Adjustment and Substance Use among Adolescents Before and After a Parental Divorce. In: Child Development, 62, 328-337, 1991.

S. Vuchinich, E.M. Hetherington et al: Parent-Child Interaction and Gender Differences in Early Adolescents' Adaptation to Stepfamilies. In: Developmental Psychology, 27, 4, 1991.