Monsieur Flaubert, c'est moi

Madame Bovary (Chabrol's Madame Bovary) Regie: Claude Chabrol. Met: Isabelle Huppert, Jean-François Balmer, Jean Yanne, Christophe Malavoy. Amsterdam, Alfa; Rotterdam, Calypso; Den Haag, Babylon; Utrecht, Springhaver.

De Nederlandse titel Chabrol's Madame Bovary is niet gekozen om aan te geven dat regisseur Claude Chabrol in zijn 44ste speelfilm een sterk persoonlijke visie op de romanheldin van Gustave Flaubert zou hebben willen ontwikkelen, naar analogie van bij voorbeeld Fellini's Casanova. De signering dient uitsluitend om onderscheid aan te brengen met de vorig jaar uitgekomen zeer vrije verfilming van Madame Bovary door de Rus Aleksandr Sokoerov, die eigenlijk Spasi i sochrani (Red en behoed) heet. Er zijn al heel wat verfilmingen geweest van Flauberts in 1856 verschenen klassieke roman. De bekendste zijn die van Jean Renoir uit 1933 en van Vincente Minnelli uit 1949, die beide vooral de melodramatische kanten van de vertelling benadrukten. Van Ben Verbongs plan om Flaubert te verfilmen restten in De onfatsoenlijke vrouw slechts de voornamen van het echtpaar Emma en Charles en het alibi om de erotische fantasieën van een tot de burgerij behorende getrouwde vrouw nader te onderzoeken.

De ambitie van Claude Chabrol was even simpel als onmogelijk: “Ik heb geprobeerd de film te maken die Flaubert zou hebben gemaakt, wanneer hij in plaats van zijn pen een camera gebruikt zou hebben.” Om de film binnen een redelijke lengte te houden (twee uur en twintig minuten) moest hier en daar wat weggelaten worden, met name de wederwaardigheden van de plattelandsarts Charles Bovary (Jean-François Balmer) voor zijn kennismaking met Emma Rouault (Isabelle Huppert) en de nasleep van haar zelfmoord. Maar in grote lijnen en details volgt Chabrol slaafs de roman, met gebruikmaking van Flauberts precieze beschrijvingen van lokaties en gebeurtenissen als regieaanwijzingen en de letterlijke teksten van de personages als dialooglijst. In zekere zin doet deze consciëntieuze aanpak weldadig aan. Hier is geen filmauteur bezig een literaire klassieker te buigen naar zijn eigentijdse behoeften, maar doet een ambachtsman nederig en bekwaam zijn werk. De anonieme Nederlandse vertaler draagt zijn vakmanschap bij door in de ondertitels met gebruikmaking van de meest recente Nederlandse boekvertaling de dialogen intelligent samen te vatten.

De titel van de film had eigenlijk Flauberts Madame Bovary moeten luiden. Middelbare scholieren met Madame Bovary op hun boekenlijst zijn Chabrol dan ook dankbaarheid verschuldigd. Maar de auteur zou daar wellicht anders over gedacht hebben; in een gefingeerde brief van Gustave Flaubert (1821-1880) aan Claude Chabrol (geboren in 1930), die Le Monde (29 november 1990) publiceerde, zegt de schrijver dat hij er zelf nooit aan begonnen zou zijn: “Om de eenvoudige reden dat ik principieel vijandig sta tegenover elke vorm van illustratie.”

In talloze debatten over literatuur en film is wel duidelijk geworden dat respect voor de letter van een roman niet per definitie recht doet aan de intentie van de schrijver en zeker niet aan het doel van de filmkunst. De verwantschap van Flaubert met zijn heldin ging zo ver dat hij bij het schrijven van de vergiftigingsscène de smaak van arsenicum proefde en misselijk werd. Maar die identificatie, leidend tot de bekende uitspraak "Madame Bovary, c'est moi!' is van een andere orde dan de affiniteit van Chabrol met Flaubert. De regisseur zegt erover in een interview dat hij net als Flaubert wel eens een hele middag heeft gedaan over het terugplaatsen van een komma, die hij dezelfde ochtend verwijderd had. Had niemand hem kunnen uitleggen dat komma's in film niet te vergelijken zijn met komma's in de literatuur?

Als iemand komma's kon filmen, dan was het Luchino Visconti. Ik weet dan ook zeker dat Visconti, aan wie je onmiddellijk moet denken bij de beelden van het bal van Vaubyessard, waar Emma aan de grandeur van de aristocratie ruikt, daar meer geserreerde tragiek in zou hebben weten te leggen. En Visconti zou geen genoegen hebben genomen met een enscenering van het bezoek aan de opera, waar Emma haar tweede minnaar Léon weer ontmoet, zonder beelden van de opvoering van Lucia di Lammermoor, alsof het er niet toe deed welke aria Flaubert daar liet zingen.

Een letterlijke weergave van de belevenissen van Emma Bovary zou kunnen doen vermoeden dat zij een romantische heldin is, rebellerend tegen de kleinheid van de provincie, een sullige echtgenoot, het wijsneuzerige rationalisme van de apotheker Homais (overigens zeer goed vertolkt in de film door Jean Yanne). Maar de baanbrekende functie van Madame Bovary was juist het vermijden van driestuiversromantiek. In de stijl van de roman wordt duidelijk dat Emma haar intelligentie en mogelijkheden tot bevrijding overschat. Ze is een groteske heldin, die haar man ruïneert en zich in het verderf stort, zonder ooit de beperking van haar milieu te overschrijden. Hoewel Flaubert niet moraliseert, houdt hij afstand en schreef in feite de eerste moderne psychologische roman.

Om die benadering in filmtermen te vertalen, is meer vereist dan voortreffelijke art direction en kostuums plus een intelligente manipulatie van komma's. De sfeer van Flaubert en de groteske toon van zijn roman komen merkwaardigerwijs beter tot hun recht in de schijnbaar ver van het origineel verwijderde verfilming door Sokoerov. Tragisch genoeg zou de Claude Chabrol, die in de jaren zeventig met mededogen de moordlust van de Franse bourgeoisie in de provincie in films als Juste avant la nuit of Les noces rouges analyseerde, in staat geweest zijn om de definitieve Bovary-film te maken. Helaas gleed Chabrol sindsdien af naar anoniemer films, glad maakwerk van onevenwichtige kwaliteit. De ambachtelijkheid van zijn Madame Bovary doet nog het meest denken aan de verlammende steriliteit van een even gewetensvolle eerdere kostuumfilm van zijn hand: de reconstructie van een Bretonse boerengemeenschap aan het begin van de eeuw in Le cheval d'orgueil (1980).

Chabrol verdient opnieuw respect, geen bewondering. Het enige wat deze Madame Bovary uittilt boven het niveau van een brave adaptatie is de hoofdrol van Isabelle Huppert, de ideale Emma. De distantie, die de stem van François Périer bij het buiten beeld lezen van Flauberts teksten had moeten oproepen, komt beter tot uitdrukking in Hupperts vertolking. Waarschijnlijk is ze de enige actrice ter wereld die tegelijkertijd kan dwepen en ironiseren.