Minder kanker bij transplantaties door zorgvuldige selectie

Kanker komt bij mensen waarbij een orgaan is getransplanteerd tot wel honderd keer zo vaak voor als bij de doorsneebevolking. Er is geopperd dat dit een gevolg is van de behandeling met immunosuppressieve geneesmiddelen.

Die is nodig om de afstoting van het transplantaat tegen te gaan, maar tegelijk zouden de immunosuppressiva het vermogen van het afweersysteem verstoren om kwaadaardig veranderde cellen op te ruimen (gestoorde immuunsurveillance). Zo zou men het frequente voorkomen van kanker bij transplantatiepatienten moeten verklaren. In The New England Journal of Medicine van 19 september tonen, onderzoekers van de Leidse Universiteit onder leiding van dr. Jan Bouwes Bavinck aan dat daarnaast ook de mate waarin de weefsels van de donor verschillen van de ontvanger (mismatch) de kans op kanker duidelijk beinvloedt. Een zorgvuldige donorselectie zou het kankerrisico kunnen verkleinen.

Donorselectie vereist een uitgebreide weefseltypering van de donor en de ontvanger. Men typeert naast de bekende bloedgroepantigenen A, B en O ook allerlei andere stoffen (antigenen) die het afweersysteem van de ontvanger kunnen prikkelen (transplantatieantigenen HLA-A, B, C en Dr). Van elk van deze transplantatie-antigenen bestaat er een groot aantal varianten. Een volledige overeenstemming (match) van de weefselantigenen bij twee willekeurige mensen noemt men dan ook wel met een term uit het pokerspel een full house match (kans 1 op 40.000).

Honderd procent overeenstemming tussen de weefsels van een donor en die van de ontvanger komt dan ook alleen bij eeneige tweelingen voor en daarom moeten er na elke transplantatie immunosuppressiva worden gebruikt om atstotingsreacties tegen te gaan.

Uit het Leidse onderzoek blijkt dat van de 764 patienten die in Leiden tussen 1966 en 1988 een niertransplantaat ontvingen er 66 huidkanker kregen. Van 39 van deze patienten heeft men het weefsel getypeerd en daarbij bleek dat bij een mismatch in het transplantatie-antigeen HLA-B het risico op huidkanker 2,5 keer zo groot werd. Bij een mismatch op beide chromosomen was die kans zelfs vijf keer zo groot. Toch hadden deze patienten evenveel immunosuppressiva gebruikt als degenen zonder mismatch in HLA-B. Het frequenter voorkomen van kanker heeH dus niet alleen met immunosuppresiva te maken. De onderzoekers opperen dat het vreemde antigeen HLA-B in het transplantaat de de immuunsurveillance verstoort.

Op het belang van zorgvuldige matching wordt ook gewezen in een artikel in de The Lancet van 24 augustus. Bij een controle van de weefseltypering bij donoren en ontvangers met behulp van een nieuwe. zeer nauwkeurige DNA-techniek (DNA-markers) bleek de match bij meer dan een kwart van de patienten niet te kloppen. Blijkbaar is de (serologische) techniek die men tot nog toe gebruikt heeft niet echt betrouwbaar. Bij een mismatch bleek na een jaar 69 procent van de nieren nog te functioneren. Bij een juiste match bleek het percentage op 87 te liggen en dat regultaat is bijna net zo goed als bij het gebruik van een orgaan van een bloedverwant.

    • Bart Meijer van Putten