Hoofdrol voor Georg Kessler, andere acteurs beneden peil

KERKRADE, 10 OKT. In stadion Kaalheide werd gisteravond de première opgevoerd van een toneelstuk waarin Georg Kessler een hoofdrol vertolkt. De nieuwe trainer van Fortuna Sittard gebruikte de uitwedstrijd tegen Roda JC om zijn terugkeer in de Nederlandse voetbalwereld van het nodige cachet te voorzien. Dat lukte maar ten dele; Kessler schitterde als vanouds, maar het spel van de overige acteurs was dermate beneden peil (0-0) dat bijna zevenduizend toeschouwers teleurgesteld het theater verlieten.

De hoofdrolspeler heft de armen ten hemel. “Ik ben weer thuis”, luidt zijn dramatische openingszin. Na lange tijd te hebben gewerkt bij clubs uit binnen- en buitenland (onder andere AZ '67, FC Antwerp, Club Brugge, Hertha BSC, 1. FC Köln, Olympiakos Piraeus) is de held teruggekeerd naar de woonplaats van zijn jeugd, terug naar de Sittardse voetbaltrots. Kessler voelt zich na het mislukte leiderschap van Han Berger geroepen iets voor “zijn dorp” terug te doen. Hoe goed toeven was het niet in de mijnstreek. Daar waar Kessler als zoon van een Duitse vader en een Nederlandse moeder zijn eerste voorzichtige schreden op het voetbalpad zette. Hij herinnert zich nog dat hij vlak voor zijn eerste optreden als jeugdspelertje bij de amateurvereniging Sittardse Boys van de heer Durlinger, thans ere-voorzitter Fortuna Sittard, een paar heuse voetbalschoenen kreeg. Hij heeft ze nog steeds thuis liggen.

In het schijnsel van vier grote spotlights steekt de in het zwart geklede acteur zijn hand omhoog ten teken dat de strijd voorbij is. De figuranten druipen af. Geen van beide partijen, Fortuna en Roda, heeft een overwinning kunnen boeken en bloed is er niet gevloeid. Kessler staat, diep weggedoken in een dikke jas, negentig minuten aan de zijkant van het podium en beperkt zich tot enkele kreten en gebaren.

De armen van Georg Kessler komen omhoog en manen tot stilte. “Dames en heren, uw aandacht gaarne.” Dan volgt een monoloog van de hoofdrolspeler, nu gekleed in een stemmig donkerblauw pak, lila hemd en bijpassende paarsblauwe das, waarin Kessler hardop de strijd aan zich voorbij laat gaan en voorzichtig in de toekomst kijkt. “Het gevecht was niet zoals het behoorde te zijn. Helaas ontbraken er aan onze kant enkele belangrijke spelers (Boogers, Janssen, Szalma, red) waardoor we ons vooral moesten beperken tot verdedigen. Wij hebben een enorme instelling getoond maar te weinig samengewerkt. Het ontbrak ons bovendien aan conditie en tactische discipline. Er is nog veel werk aan de winkel. Ik ben niettemin bijzonder content met het behaalde resultaat. Dit vormt een goed uitgangspunt in relatie tot de werksituatie van de komende weken.”

De vuist van Gène Hanssen, een geblesseerde speler van het belegerde Kaalheide, komt met kracht neer op de bar van het eigen home. Hanssen heeft zich ondanks zijn blessure verdienstelijk gemaakt door na afloop van de wedstrijd te spioneren bij de kleedkamer van de tegenstander. Daar hoort hij leider Kessler zijn manschappen toespreken: “Ik ben trots op deze prestatie, jullie zijn ware kampioenen.” Hanssen, de immer vechtlustige volksjongen met de opgestroopte mouwen, wendt zich verontwaardigd tot zijn trainers Adri Koster en Ad Versluys. “Kunnen jullie dat nou geloven? Denken ze dat ze zo kunnen overleven?”

Kessler woelt door het grijze haar. Terwijl zijn ploeg zich gereed maakt voor de aftocht richting Sittard mijmert Kessler over zijn leiderschap. Daar kan toch niets mis mee zijn? Tot nu toe had hij op tal van plaatsen succes, groeide hij uit tot eminence grise en kreeg hij de bijnaam Sir Georg. “Ik heb een positieve uitstraling maar ik ben ook realist. En dat wordt veel te snel uitgelegd als negatief.”

Met de middelen die mij ter beschikking staan moet ik nu eerst zorgen voor een ijzeren discipline. Daarna komt er weer ruimte voor individuele acties en creativiteit.” Hardop denkt Kessler dan aan Beenhakker, Steegman en Jacobs, trainers die hij aan het eind van de jaren zestig zelf opleidde en die nu zijn visie uitdragen. Ook gaan zijn gedachten uit naar Johan Cruijff, die hij eens zelf onder zijn hoede had als bondscoach. “Cruijff haatte strikte discipline maar ik stel nu met een intens genoegen vast dat hij er thans zelf gebruik van maakt.”

    • Leon van Eijndhoven