Gekkenwerk in de Nacht van Schmelzer

Het nachtleven op het Binnenhof blijft de geesten boeien. De Nijmeegse hoogleraar Manning wijdde zijn afscheidscollege aan de Nacht van Staal op 21 december 1906 waarin de begroting van deze minister van oorlog in het minderheidskabinet-De Meester met verwerping werd bedreigd onder de verdenking dat hij het defensiebelang zou hebben opgeofferd aan de verkiezingsbeloften van de vrijzinnige regeringspartijen. Een kabinetscrisis kon worden uitgesteld door zijn beantwoording van vragen waarmee de oppositie zich vooralsnog tevreden stelde.

In een recent proefschrift over de staatkundig-gereformeerde staatspartij heeft dr. Fieret de Nacht van Kersten van 10 november 1925 in herinnering geroepen. Een amendement van de SGP-er, dominee Kersten tot afschaffing van het gezantschap bij de paus kreeg niet alleen de steun van de oppositie, het behaalde een meerderheid door toedoen van een deel van de christelijk-historische Kamerfractie die haar gebruikelijke gouvernementele instelling op dat moment opgaf. Dat was voor de katholieke ministers in het eerste christelijke coalitiekabinet-Colijn niet aanvaardbaar. Een langdurige kabinetscrisis was het gevolg.

Thans heeft professor Notenboom die als rekenmeester in de KVP-fractie zijn fractievoorzitter in de befaamde Nacht van Schmelzer heeft geschraagd, de val van het kabinet-Cals aan een wetenschappelijk onderzoek onderworpen. Veel was al bekend uit beschouwingen van Vondeling in zijn Nasmaak en voorproef (1968) en uit de publicatie Het dagboek van Schmelzer van R. Ammerlaan in 1973. Publicaties in NRC Handelsblad van zaterdag 5 oktober hebben daar nog het nodige aan toegevoegd.

Maar Notenboom heeft zich ook in tot dusver onbekende archiefmaterialen begeven om tot een onbevangen oordeel te komen. Het verslag van zijn bevindingen geeft geen aanleiding aan de zorgvuldigheid en aan de goede trouw waarmee hij dat onderzoek heeft verricht, te twijfelen. Het heeft hem aangenaam verrast uit de notulen van de ministerraad over de begroting van 1967 af te kunnen leiden dat Vondeling als minister van financien op dezelfde streeflijn zat als later de KVP-fractie in de Tweede Kamer. Hij verhult niet hoe Vondeling geconfronteerd werd met overschrijdingen uit de vorige kabinetsperiode van het liberaal-confessionele kabinet-Marijnen. Hij erkent ook dat zijn geestverwanten, de confessionele ministers Veldkamp en Bogaers niet bijster toegankelijk waren voor Vondelings verlangen tot snoeiing op hun begroting.

Bij de presentatie van Notenbooms boek heeft Biesheuvel daar aan toegevoegd dat ook Den Uyl dwars lag. En ook de KVP-staatssecretaris Hoefnagels blokkeerde een poging van zijn minister om de voorgenomen belastingverlichting uit te stellen. Dat alles onderstreept het prestigeverlies dat Vondeling had opgelopen tijdens de hete zomer van 1965 (met de rookbommen en de bouwvakkersactie) blijkens de nederlagen van de Partij van de Arbeid bij de staten- en gemeenteraadsverkiezingen. Hij moest zijn positie als toekomstige lijstaanvoerder aan Den Uyl afstaan. Had hij verstandig gedaan zelf als minister van financien terug te treden?

Niet zonder reden heeft Biesheuvel de gevoeligheid van de PvdA voor verkiezingsnederlagen onderstreept. Maar Ed van Thijn was hem daarbij overigens al voorgegaan in het toekennen van voorspellende waarde met betrekking tot het huidig kabinet-Lubbers-Kok. Dat zullen we dus moeten afwachten.

Notenboom verscherpt het beeld dat Ammerlaan al gaf van het optreden van Schmelzer in de weken voor de val van het kabinet. Hij was anders dan een groeiend deel van zijn fractie niet uit op een kabinetscrisis. Voor zover het aan hem lag was er dus geen moord met voorbedachten rade. Behalve door zijn eigen geweten en geloofwaardigheid werd hij volgens Notenboom, ook door zijn fractie "gedwongen' de ernstige kritiek niet te verachten. Overigens, de beschuldiging van Vondeling was iets subtieler, zo men wil: dubbelzinniger, geformuleerd: het was de KVP van Aalderse en Schmelzer die hij van de moord betichtte.

Notenboom beroept zich op Zijlstra met de stelling dat het kabinet de motie-Schmelzer niet als een bewijs van wantrouwen had behoeven op de vatten. Maar de toelichting van Schmelzer dat de motie niet gericht was tegen het gehele regeringsbeleid, werd door de socialistische fractieleider Nederhorst onmiddellijk beantwoord met de opmerking dat het kabinet geen knip voor de neus waard zou zijn als het zulk een motie zou accepteren. Het incasseringsvermogen van Cals en Vondeling werd daardoor emotioneel beperkt.

In het door Frits Abrahams gepubliceerde uittreksel uit dagboeken van Marga Klompé, in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad (5-10-1991) leest men hoe verbitterd Cals was over het feit dat de KVP later bereid was het programma van formateur-Zijlstra tot uitstel van de belastingverlaging te aanvaarden terwijl het oorspronkelijk in juli door Vondeling in de ministerraad was ingebracht en toen door Schmelzer zonder overigens formele bindingen als onmogelijk aanvaardbaar voor de KVP werd aangemerkt.

Hoe begrijpelijk het ook is dat Notenboom als medespeler vooral geïntrigeerd was door de schuldvraag, te betreuren valt dat hij zijn studie voornamelijk beperkt heeft tot de financiële politiek van de KVP in de parlementaire periode 1963-1967. Op financiële en politieke effecten van de Nacht van Schmelzer op langere termijn gaat hij niet of nauwelijks in. Hij beperkt zich tot de constatering dat het einde van het kabinet-Cals “door zeer velen is ervaren als een halt aan een financieel beleid dat het land in gevaar bracht.” Het zou interessant zijn geweest zijn commentaar te vernemen op de berekening van de oude Drees dat de stijging van de overheidsuitgaven onder de volgende kabinetten onverkort is doorgegaan.

Biesheuvel en Schmelzer zullen zich trouwens nog wel herinneren hoe hun kabinet in 1972 brak op de eis van DS'70-minister Drees Junior om de matiging van de overheidsuitgaven en de lonen strenger te spreiden. Voor de latere periode ligt er dan nog het proefschrift van José Toirkens uit 1988 over "Schijn en werkelijkheid van het bezuinigingsbeleid 1975-1986'. De periode dus van het kabinet-Den Uyl tot en met het eerste kabinet-Lubbers. Haar conclusies liegen er niet om: “Vluchtgedrag komt onder alle kabinetten voor en lijkt zich niet te beperken tot bepaalde ministeries of bewindspersonen”.

Over de politieke effecten van de Nacht van Schmelzer spreekt Notenboom zich uit in een wat duistere zin. Hij geeft wel aan dat er in de katholieke wereld een en ander was gebroken. Maar voegt daaraan toe dat er ook andere invloeden werkzaam waren waardoor niet nauwkeurig te onderscheiden is hetgeen aan de Nacht van Schmelzer moet worden toegeschreven en hetgeen voortvloeide uit het proces van deconfessionalisering in de politiek en zich wijzigende patronen binnen de Nederlandse katholieke bevolking en kerk. Is dat een toespeling op de terugval in de verkiezingsuitslagen van de KVP tijdens het leiderschap van Schmelzer over de periode 1963-1971. Een teruggang van de top uit 1963 van vijftig naar vijfendertig zetels in 1971. Heeft Schmelzer het proces van deconfessionalisering niet versneld?

In het boek van Ammerlaan rijst hij op als de politieke leider die het al beheerste. De leerling van de grote tovenaar Romme die de katholieke eenheid zo lang had bewaard. De politieke loopbaan van Schmelzer overziende, rijst de vraag of die machtige toverstaf niet met hem - de leerling - een eindje aan de haal is gegaan? Ook de Partij van de Arbeid liep schade op. Met een verlies van zes Kamerzetels en een trauma dat tot in de kabinetsperiode-Den Uyl zou voortduren. Was het politiek verstandig dat in een periode waarin een gezagscrisis zichtbaar werd, de gezagsdragers elkander te lijf gingen?

Gekkenwerk noemde freule Wttewaal van Stoetwegen het. Dat werd een gevleugeld woord in het bekende lied van het cabaretprogramma Farce Majeur van de NCRV. Zij doelde op het feit dat de breuk zich voltrok diep in de nacht zonder dat er werd geschorst om er nog eens een nachtje over te slapen. Was het wellicht ook gekkenwerk in een diepere zin van het woord: beschadigend voor het aanzien van de Nederlandse politiek?

    • N. Cramer