Europa in onderwijs; Brussel versus de vrijheid van onderwijs

De arm van de Brusselse bureaucratie reikt niet erg ver in het Nederlandse onderwijs. Over het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs bijvoorbeeld heeft de EG nog niets te zeggen. Dat ligt anders in het beroepsonderwijs. Het huidige EG-verdrag biedt de Europese Raad de mogelijkheid "uitgangspunten voor een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding' vast te stellen.

Het betreffende artikel in het verdrag (artikel 128) wordt in de praktijk zeer ruim uitgelegd, waardoor Brussel geleidelijk ook greep op het hoger onderwijs krijgt, zo constateren prof.dr. P.W.C. Akkermans en dr. D. Mentink, werkzaam aan de juridische faculteit van de Erasmus Universiteit, in het advies "Artikel 23 en het EEG-verdrag' dat zij dit voorjaar aan minister Ritzen (onderwijs) aanboden.

Voor menigeen reikt de arm van Brussel daarmee ver genoeg. Zo stuitte minister Ritzen op grote weerstand toen hij voorstelde om, als voorzitter van de Europese Raad van onderwijsministers, het EG-verdrag uit te breiden met een aparte paragraaf over het onderwijs. Waarom geen grotere rol voor de EG als het om onderwijs gaat, zo vond de minister. Het kan immers grote voordelen hebben om de nationale onderwijsstelsels enigszins te harmoniseren en zo de uitwisseling van studenten en de erkenning van diploma's eenvoudiger te maken. Ritzen lanceerde zijn plan in oktober 1990 tijdens een bespreking met de onderwijskoepels. Zij waren het niet met hem eens. Want hoe had de minister dat allemaal gedacht en had hij wel rekening gehouden met artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs regelt?

Ritzen besloot advies te vragen aan Akkermans en Mentink. Deze komen in hun advies tot de conclusie dat bij de formulering van een aparte onderwijsparagraaf voldoende recht kan worden gedaan aan het eigene van het onderwijsbestel in de verschillende landen. Tegelijk menen ze dat de grote onzekerheden over de koers en ontwikkeling van de EG een dergelijke paragraaf op dit moment ongewenst maken. Dat geldt te meer als, zoals Ritzen wilde, de EG coördinerende bevoegdheden zou krijgen. Akkermans en Mentink vrezen dat in zo'n situatie artikel 23 van de Grondwet gemakkelijk in het gedrang kan komen.

De twee deskundigen vinden dat Ritzen moet streven naar aanpassing van artikel 128 in het EG-verdrag. Zij willen onder meer dat in dit artikel wordt vastgelegd dat de minimumeisen voor het onderwijs, de inrichting van het stelsel en de wijze van financieren een zaak van de lidstaten zelf blijft. Eind augustus heeft minister Ritzen de Tweede Kamer laten weten dat er geen Nederlands voorstel voor een afzonderlijke onderwijsparagraaf of voor aanpassing van artikel 128 wordt ingediend.

    • Gretha Pama
    • Qurien van Koolwijk
    • Kees Versteegh