Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Algemene politieke en financiële beschouwingen in de Tweede Kamer Lichte Europa-moeheid in Kamer

Door onze redacteur ROB MEINES den haag, 9 okt. Persoonlijke politieke consequenties hoeven premier Lubbers, minister Van den Broek en staatssecretaris Dankert wat betreft de Tweede Kamer niet te trekken uit het debacle vorige week in Brussel. Van Mierlo (D66) vindt het nu echter nu „logisch en onvermijdelijk" dat de manoeuvreerruimte van de premier op Europees terrein „drastisch wordt verruimd". En zijn PvdA-collega Wöltgens heeft uit de affaire geleerd dat Nederland een duidelijke keuze moet maken, „ten gunste van de FransDuitse opvattingen over veiligheidsbeleid". Bovendien heeft het „smadelijk lot" (Van Mierlo) dat het Nederlandse concept voor een verdrag over de Europese Politieke Unie onderging hier en daar bij de fractieleiders de aarzelingen over een verder opgaan in Europa versterkt. De kleine confessionele partijen, altijd al tegen een federaal Europa, zagen gisteren hun kans schoon en deden een krachtige aanval op wat zij zien als het verlies van de Nederlandse identiteit. Maar ook bij Wöltgens en Bolkestein (VVD) en in mindere mate bij Brinkman (CDA) zag

men de bedenkingen groeien. Het leek of de Kamer overvallen was door een lichte mate van Europa-moeheid. Inhoudelijk was de meerderheid tijdens de algemene beschouwingen — behalve de kleine confessionele partijen — het met de regering eens: het Europese Parlement moet grotere bevoegdheden krijgen en dient behalve op economisch ook op politiek terrein veel meer met meerderheid van stemmen en minder met nationale veto's te beslissen. Maar, als het dan zo moeilijk blijkt om die gedachte algemeen ingang te doen vinden, moet het maar wat minder. De gang van zaken rondom de rigoureuze afwijzing van de Nederlandse plannen weerspiegelde, zei Wöltgens, de aarzelingen om te veel te centraliseren in Europa. Deze „diepere gevoelens", zo kon men uit zijn woorden opmaken, leven ook bij hemzelf. CDA-fractieleider Brinkman formuleerde het wat vager: Lubbers en Van den Broek moeten met „realistisch idealisme" naar de topconferentie

in december in Maastricht om „daar te zoeken naar een nieuw evenwicht tussen communautaire en intergouvernementele samenwerking". Van hem mag het dus ook wel wat minder. Wöltgens' suggestie om „zich nu te richten op het centrum van de EG" en de Frans-Duitse veiligheidsopvattingen over te nemen, zal bij Lubbers en Van den Broek tot flink fronsen hebben geleid. Vorig jaar december reageerden zij nogal scherp op dit destijds door kanselier Kohl en president Mitterrand ingediende plan. Wat de defensiepolitiek betreft was de essentie van het idee om een 'organische relatie' aan te brengen tussen EG en Westeuropese Unie (WEU). Het belangrijkste bezwaar van Lubbers/ Van den Broek richtte zich tegen de wel zeer dunne band die met de NAVO overbleef. Wat dat betreft zit het Haagse veiligheidsbeleid tot nu toe veel dichter bij het vorige week gepresenteerde Brits/ Italiaanse voorstel, waarin de WEU de door Van den Broek en Lubbers

gewenste brugfunctie vervult: als Europese NAVO-pijler en EG-defensiepijler. Wöltgens' keus voor de Frans-Duitse ideeën gaat tegen die lijn in. VVD-fractieleider Bolkestein vertaalde gisteren zijn al eerder voorzichtig getoonde Europa-aarzeling als gevolg van de Nederlandse „afgang" ongeveer zo: meer bevoegdheden voor Straatsburg, maar geen gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. „Die moeten intergouvernementeel blijven." Met andere woorden: elk EG-land moet een vetorecht houden. Een van de weinigen zonder aarzelingen was Van Mierlo. Hij waarschuwde er zelfs voor nu niet in Eurocynisme te vervallen. Het Europa dat hij voorstaat heeft duidelijk intergouvernementele trekken; hij wil wat Frankrijk, Engeland en Duitsland ook willen: meer gewicht voor de Europese Raad, de topconferentie van elf regeringsleiders en de Franse president. Consistent met deze opwaardering is zijn voorstel om

de premier meer manoeuvreerruimte te geven. Van Mierlo en Bolkestein waren de enigen van de grotere partijen die de regering een duidelijk verwijt maakten over de mislukking met het Nederlandse concept voor de politieke unie: de voorbereiding had te lang geduurd, de acceptatiegraad in de andere hoofdsteden is „behoorlijk verkeerd" ingeschat „èn het is te laag opgespeeld". Niet Dankert, maar Lubbers had langs de hoofdsteden gemoeten, volgens Van Mierlo. Ook Bolkestein weet de mislukking zowel aan staatssecretaris Dankert als aan Van den Broek en Lubbers. „Terwijl minister Van den Broek in Joegoslavië op harde wijze met de grenzen van het Europese buitenlands beleid werd geconfronteerd, droomde de heer Dankert ongehinderd voort." Bolkestein sprak van een „zelfmoordcommando"; de hele zaak was „uiterst pijnlijk en onbehoorlijk". Deze week moet duidelijk worden

hoe het allemaal mis heeft kunnen gaan, zei Van der Vlies (SGP) hoopvol. Hij had zich de moeite kunnen besparen, want dat was niet de bedoeling van de meerderheid van de Kamer, zeker niet van CDA en PvdA. Brinkman en Wöltgens gaven duidelijk aan waarom niet. „Dan moet misschien immers de Kamer ook met de billen bloot", zei Brinkman, een uitspraak die Wöltgens naderhand invulde: de Kamer heeft, „met misschien wel tientallen mex ties" de regering met de boodschap op pad gestuurd om meer democratie in Europa tot stand te brengen en vaker met meerderheid van stemmen te beslissen. En dus hoeft Nederland zich niet te schamen voor zijn opstelling, volgens de PvdA-leider, die zich distantieerde van „het ach en wee geroep" van de afgelopen week. Een „forse storing in het beeld van Nederland in het buitenland", zei Brinkman. Maar verder: Van den Broek en Lubbers hebben de afgelopen jaren Nederland nieuw aanzien gegeven. „Dat verdient aller lof, meer dan kritiek". Elke afkeurende motie vandaag of morgen over het Haagse „Waterloo" (Van der Vlies) in Brussel is een kort leven beschoren.