Uit de afstotelijke lelijkheid groeit bij Lucebert schoonheid

Tentoonstelling: Lucebert. Frans Halsmuseum, Groot Heiligland 62. T-m 27 oktober. Ma. t-m za. 11-17u., zo. 13-17u. Daarna nog te zien in het Fries Museum in Leeuwarden. Publikatie: Lucebert. Schilder-dichter. Uitg. Meulenhoff, 160 blz. Prijs ƒ 49,50.

De neerlandicus Kees van de Watering heeft uitgezocht dat "oog' het meest voorkomende woord is in de gedichten van Lucebert. Op de schilderijen van Lucebert komen bijna altijd ogen voor. De grote, immer ronde pupillen kunnen van elke vlek een mens of een dier maken.

Toeval? Lucebert heeft zelf herhaaldelijk beweerd dat zijn schilderijen niets met zijn gedichten te maken hebben. Ze illustreren elkaar in elk geval niet.

Op de tentoonstelling in het Frans Hals museum in Haarlem, die hoort bij de bekroning met de Jacobus van Looyprijs, is ook niet gepoogd de twee talenten van Lucebert met elkaar te verbinden. De prijs, eens in de vijf jaar uitgereikt aan een dubbeltalent, is er voor de schilder-dichter, evenals het als catalogus verkochte boek. De tentoonstelling is er voor de schilder.

In Haarlem hangen zestig schilderijen en een groot aantal tekeningen en gouaches. De tentoonstelling begint met werk uit de jaren veertig, maar op verzoek van Lucebert is vooral veel recent werk opgenomen. In het eerste zaaltje hangt oud en nieuw werk bij elkaar. De vroege schilderijen waren ooit baanbrekend, al valt dat er nu moeilijk aan af te zien. Maar als ik de jaartallen vergeet, vind ik de nieuwe schilderijen mooier. Ze zijn minder krasserig en niet zo overvol.

Een prachtig schilderij is "Een mens' uit 1990. Het wordt vrijwel geheel gevuld door een mens met rode ogen, een rode broek en een oranje en groene neus. Dat de mens drie, misschien wel vier benen heeft, valt pas later op. Het gezicht en de houding trekken alle aandacht. Hij heeft zijn hoofd schuin achterovergelegd en grijnst. De mens is voor mij een kind, een spelend meisje in een rode tuinbroek dat de wereld aankijkt en lacht.

“Het is altijd goed bij schilderen of dichten uit te gaan van wat ons afkeer inboezemt. Later kan men hier en daar wat verzoenende details aanbrengen, omdat het oog en het oor ook wat willen”, heeft Lucebert gezegd. Op "Een mens' hebben de verzoenende details de overhand. Aan het kijken naar dit schilderij beleefde ik on bekommerd plezier.

Maar in Haarlem zijn ook schilderijen te zien die het oog wel voor een paradox plaatsen. Er wordt iets afstotelijks afgebeeld en dat wordt nauwelijks verhuld en toch beleef je aan het kijken genoegen, toch zie je een mooi schilderij. “Altijd weer verricht de kunst het wonder uit afstotelijke lelijkheid, uit een afschuwwekkend scenario van buitensporige gebeurtenissen, uit de uitbeelding van marteling en dood, schoonheid te doen groeien”, schrijft Jens Christian Jensen in de catalogus. In Haarlem geldt dit voor de serie schilderijen "De Ketters' uit 1981, maar ook voor veel onbekend werk uit de collectie van Lucebert zelf.

Als toegift bij de zestig schilderijen is in elke zaal een vitrine gevuld met dichtbundels en documenten. Boven elke vitrine hangt een uitvergrote passage uit een gedicht. De passages gaan over kijken en over schilderen. Bij voorbeeld: “Naarmate het oog meer en beter ziet wordt het een steeds bontere vlees etende kaleidoscoop.” (1963) En (over Karel Appel): “Je weet nu wat geel weet,- Dat de zon schijnt omdat niemand graag dood gaat.” (1961).

Luceberts bekendste regels hadden er toch ook bij moeten hangen: In deze tijd heeft wat men altijd noemde- schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand.'' (1952)

Zoals tegenwoordig in veel musea gebeurt, zijn niet alle zalen voor de tijdelijke expositie volledig ontruimd. In dit geval zijn er vitrines met tafelzilver en een paar antieke stoelen blijven staan. Het is mooi zilver, het zijn mooie stoelen, maar ze leggen het onherroepelijk af tegen de soort schoonheid die Lucebert uit de lelijkheid weet te peuren.

    • Bianca Stigter