Raad van Europa

Tijdens de frequente bijeenkomsten in de afgelopen maanden van de ministers van buitenlandse zaken van de twaalf EG-landen zijn diepgaande meningsverschillen naar voren gekomen over de onderwerpen en samenwerking van de twaalf. Onlangs bleek zelfs bij monde van onze minister, dat Nederland in dat opzicht tot een herbezinning moet komen. Wij zouden, zo blijkt uit recente artikelen in deze krant, aan een bijstelling van onze "federalistische koers' moeten beginnen.

Hoewel ik het grof van Dumas en Genscher vindt dat zij buiten voorzitter Van den Broek om een nieuwe bijeenkomst aankondigden, vraag ik me toch ook af of er onzerzijds niet misverstanden bestaan over de aard van de EG.

De EG als organisatie heeft tot nu toe feitelijk maar één doel: de effectuering van EG 92. Dus het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal tussen de twaalf lidstaten. De Europese Commissie - een ambtelijk geheel dat geleid wordt door onafhankelijke commissarissen - heeft de opdracht om dit per 1.1.1993 te realiseren. Die twaalf blijven dan rechtsstatelijk wat ze zijn: soeverein zoals nu, maar afspraken makend over vluchtelingen en grensoverschrijdende criminaliteit.

Alle bijeenkomsten van de ministers van buitenlandse zaken worden niet gehouden in het kader van de EG, maar van de Europese Politieke Samenwerking, die als zodanig in 1970 begon. Met de EG heeft dat niets méér te maken dan dat zij ministers van de lidstaten zijn. Hun overleg over welk onderwerp ook (steeds iets dat met de EG niets te maken heeft) komt dus altijd neer op de confrontatie van twaalf nationale visies. Gezien de grote culturele verscheidenheid van de twaalf is het vanzelfsprekend dat ze er niet altijd uitkomen. Zoals nu blijkbaar niet uit het probleem van het defensie- en veiligheidsbeleid.

Helemaal duidelijk moeten die verschillende visies worden tijdens "topconferenties' (de Europese Raad) van de regeringsleiders, die in alles het beslissende toekomstwoord hebben. Als "Maastricht' in december een flop zou worden geeft dat niets. Wij als gastland hoeven ons dat persoonlijk niet aan te trekken. Want die Raad heeft nauwelijks meer met de EG van doen, maar alles met het eigene van twaalf soevereine Westeuropese landen.

De tijd gaat verder. Europa gist en is nu kneedbaar als was. Een "gevaarlijke' situatie als men uitgaat van waarden als stabiliteit, geleidelijkheid en sociaaleconomisch welvaren. Hieruit volgt dat in het ministeriële overleg van de twaalf, dus ook van andere ministers dan van buitenlandse zaken, één gedachte voor ogen wordt gehouden: van elkaar leren over wat voor elk van ons het belangrijkste is en daarover in hun parlement van gedachten wisselen.

Dit van elkaar leren kan beter gebeuren in het kader van de Raad van Europa dan in die onduidelijke en ontplofbare "EG'-bijeenkomsten, omdat dit veel tijd vergt en deze Raad niet is bedoeld voor directe politieke beslissingen.

Waar ons land zijn federalistische visie over het nieuwe Europa wil uitdragen, kan het daarvoor beter de Raad van Europa als forum kiezen. Want wat daar wordt gezegd beklijft eerder en werkt meer door dan in elk ander Europees overleg.

    • Dr. W.J. Sengers