Permanente crisis bij Landbouw

Even keek de televisiekijker verbaasd op toen NOS-Laat vrijdag 27 september in zijn eigen programma een schrobbering kreeg van premier Lubbers.

Hij deed dat naar aanleiding van een uitzending van enkele dagen eerder over het ministerie van landbouw. Bij de minister-president was die niet goed gevallen; op berispende toon zette hij “vraagtekens bij deze vorm van journalistiek”. Het gebeurt niet iedere dag dat de politici de pers zo rechtstreeks kapittelen; de persvrijheid in Nederland heeft hun daartoe immers tezeer gedisciplineerd. Wat was er dan aan de hand dat dat Lubbers zo opmerkelijk optrad?

Het gaat om het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij. Dat is al jarenlang in discussie. De daar heersende toestand is als volgt samen te vatten: De organisatie en het management zijn op een verouderde, autoritaire, centralistische en bureaucratische leest geschoeid; Naast zijn traditionele taak als belangenbehartiger van de agrarische sector heeft het departement - na jarenlang lobbyen en manipuleren - sinds 1982 ook de zorg voor natuur en landschap alsmede een aantal milieutaken van het toenmalige CRM onder zich weten te krijgen. Sindsdien heeft het deze beleidsterreinen stelselmatig en in kleine stapjes uitgeschakeld en ondergeschikt gemaakt aan het primaat van agrarische sectorbelangen; De structuur en cultuur van het departement leiden tot grote spanningen en misstanden binnen de organisatie, spanningen en misstanden die in toenemende mate een uitweg naar buiten zoeken; Als gevolg daarvan schiet het departement op een bijna deerniswekkende wijze tekort in de uitvoering van steeds urgentere taken zoals ombuigingen in het landbouwbeleid, controletaken op milieuterrein en behartiging van de belangen van natuur en landschap. De geloofwaardigheid van het departement als behartiger van deze taken is inmiddels tot een dieptepunt gedaald.

In feite verkeert het departement in een permanente situatie van crisis die geleidelijk onhoudbaar wordt. Mede in het licht van het streven van de regering het overheidsapparaat effectiever te maken, zijn opties als de opheffing van het departement, respectievelijk het teruggeven van de natuur- en milieutaken aan een departement van algemeen bestuur, al geruime tijd actueel.

Dat alles is algemeen bekend en niet in de laatste plaats bij de fracties in de Tweede Kamer. Afgezien van het als zondebok heenzenden van minister Braks die meer het slachtoffer van problemen dan de veroorzaker daarvan was, blijft iedere actie uit. Aan de pers ligt dat beslist niet want ondanks de geslotenheid van het ministerie brengen dag- en weekbladjournalisten al jarenlang en keer op keer moeizaam verworven en niet mis te verstaan feitenmateriaal naar buiten. En intussen kan iedereen met eigen ogen zien hoe snel natuur en milieu aftakelen onder invloed van verzuring, vermesting, verdroging en de voortgaande afbraak van het landschap.

Dankzij de televisie-uitzending van 23 september is de jarenlange impasse nu plotseling doorbroken. Er werd een tipje van de sluier opgelicht over wat er bij Landbouw werkelijk aan de hand is en dat kwam hard aan. De snelheid waarmee zowel de Tweede Kamer als minister Bukman en diens topambtenaren in actie kwamen, was opvallend en stond in schrille tegenstelling tot de gebruikelijke traagheid van de overheid. De Tweede Kamer toonde zich geschokt en dreigde met parlementair onderzoek. Waarop er inderhaast op 26 september een interpellatiedebat werd gehouden.

Het aangeschoten departement liet niets na om uit de gevarenzone te ontsnappen. Zowel schriftelijk als mondeling wees de minister alle kritiek van de hand. Alleen op het meest kritieke punt van het inzetten van de Algemene Inspectie Dienst tegen eigen ambtenaren, kwam een concessie los, maar het centraal stellen van deze AID leidt de aandacht af van de de problemen waar het bij het ministerie eigenlijk om gaat. Ten slotte kondigde de minister de instelling van een commissie aan. Deze commissie van onafhankelijke externe deskundigen moet antwoord geven op de vraag: “In hoeverre bieden organisatie, coördinatie en arbeidsverhoudingen op het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij een voldoende waarborg dat in de beleidsontwikkeling en beleidsuitvoering natuur- en milieutaken optimaal tot hun recht komen. Kunnen tegen de achtergrond daarvan in de organisatie en haar intern en extern functioneren verbeteringen worden aangebracht”.

Bezien we deze taakomschrijving, dan blijkt dat er geen antwoord zal komen op de cruciale vraag of het ministerie nog wel in staat is zijn niet geringe maatschappelijke taken naar behoren uit te oefenen. Het ministerie heeft niet de minste behoefte aan extern onderzoek naar de werkelijke oorzaken van zijn bevlekte blazoen. Liever maakt het van de nood een deugd: een toekomstgerichte benadering die in beginsel alle kansen biedt om de greep op natuur en milieu verder te legitimeren en te versterken. Deze ontsnappingspoging ontging de Tweede Kamer niet; pogingen van onder meer de VVD en Groen Links om de formulering te preciseren stuitten echter op verzet van minister Bukman. CDA en PvdA lieten het erbij. Voor het moment had het departement de brand geblust. Maar met een schuimblusser kan men geen veenbrand bestrijden.

Het schot van NOS-Laat trof dus onmiskenbaar doel en dat terwijl wij dachten dat onze democratie in de roes van de welvaart was ingesluimerd. J.W. Oerlemans schreef daarover in 1990 in deze krant de gedenkwaardige woorden: “Het systeem is ongrijpbaar en ondoorzichtig, de burger is verslaafd aan welvaartsgroei, hetgeen weinig ruimte laat voor de ontwikkeling van een kritisch democratisch bewustzijn”. Met die uitspraak gooide deze Rotterdamse hoogleraar moderne geschiedenis zijn knuppel in het Nederlandse hoenderhok. De strekking van zijn artikel, "Eén-partijstaat Nederland' was aldus het hoofdartikel van NRC Handelsblad op 7 april 1990, dat “er een kloof is ontstaan tussen de kaste van bestuurders en politici (...) Wie heeft nog enig zicht op de mechanismen, compromissen en schijngevechten waarmee allerlei onderwerpen worden behandeld? Dit land heeft soms meer weg van een gewatteerde octopus”.

De reacties op Oerlemans' bijdrage waren illustratief voor de problematiek. De discussie bleef steken binnen de kring van wetenschappelijke professionals. De actieve politiek en de samenleving bleven vrijwel buiten beeld.

Hoewel Oerlemans nog hoopvol sprak van het begin van een breder debat is dat er nooit van gekomen. Ieder teken van een democratisch réveil bleef sindsdien uit. Maar wat mankeerde er dan aan Oerlemans aanpak? Volgens hem gaat het om het herstel van de democratie en zou de historie leren dat impulsen daarvoor altijd van onderop komen. Hij meent dat dat er voor ons land niet in zit omdat het systeem ongrijpbaar is en de burger aan welvaartsgroei verslaafd is geraakt.

Wat een onderschatting van het kritisch vermogen van de samenleving! Er zijn immers tekenen dat velen bijna instinctief aanvoelen wat er mis is in ons politieke bestel. De toeloop naar een partij als D66 vormt daarvan een onmiskenbaar bewijs. Een latent democratisch besef is echter niet voldoende. Het gaat om betrokkenheid en actie; daarvoor is nodig dat de problematiek helder en hanteerbaar is. Dit lijkt moeilijk en men moet het verdoezelend vermogen van de gevestigde politieke orde inderdaad niet onderschatten. Maar ook dat systeem maakt fouten en struikelt over zijn eigen benen. Dan krijgt een ingewikkelde problematiek soms concreet gezicht en - belangrijker nog - kan zij vaak worden herleid tot simpele morele keuzen.

Natuurlijk is de burger zelf niet bij machte door wolligheid en rookgordijnen heen te breken. Dat is alleen al onmogelijk omdat dit veel informatie, dossierkennis, analytisch vermogen, alsmede een grote dosis doorzetting en tijd vraagt. Die taak nu is in een democratisch systeem bij uitstek toebedacht aan de pers.

Daarom was het werkelijk frappant dat in de discussie over Oerlemans' artikel vrijwel niemand stilstond bij de rol van de pers als pijler van onze democratie. Oerlemans signaleerde die rol wel, maar vermoeddde dat de pers al te zeer in een toestand van symbiose met de volksvertegenwoordigers leeft om tot werkelijke kritiek in staat te zijn.

Dat zag hij te somber in. Gebleken is dat de Nederlandse media regelmatig allerlei zaken op een juiste en niet mis te verstane manier aan de kaak stellen, maar dat dat dan hoogstens tot cosmetische maatregelen leidt en niet tot de broodnodige verandering van het systeem zelf. Blijkbaar kan vooral de gedrukte pers onvoldoende tegenwicht bieden aan het machtige pr- en voorlichtingsapparaat van de overheid en de belangen waar die voor staat.

Toch is er nog hoop. De technische vooruitgang heeft de democratie niet alleen de drukpers maar ook nog een tweede krachtig instrument, de televisie in de schoot geworpen. Dat medium overtreft de geschreven pers in doordringend vermogen en overtuigingskracht want een goede tv-uitzending schudt de betrokkenen klaarwakker en effent het pad voor een effectief optreden van de gedrukte pers.

Het is naar mijn mening nu van het grootste belang dat de omroepen zich meer in dienst stellen van het herstel van de kwaliteit van de democratie. Dat dat mogelijk is blijkt uit de opwinding over de NOS-uitzending. Een goed voorbereide publicitaire actie, gericht op een duidelijke casus van het politieke systeem, kan immers tot onmiddellijk resultaat leiden. Ook al heeft de "gewatteerde octopus' dit resultaat inmiddels alweer stevig omstrengeld, het was een klein wonder dat zich uitsluitend en alleen voltrok omdat gedurende drie kwartier televisie het directe kontakt tussen samenleving en politiek circuit werd hersteld. Heel even zag de televisiekijker de politiek recht in het gezicht...

Onze politieke elite heeft het op zo'n confrontatie allesbehalve begrepen. Wat gezegd is moet ontkracht en de boodschapper moet worden afgestraft. Waar men de zegslieden momenteel niet kan aanpakken zonder de pers in de kaart te spelen, krijgt NOS-Laat een draai om de oren.

Ging de discussie niet over intimidatie?

    • C.F. van Beusekom