Pappen en nathouden

“You 'd better go see your ophthalmologist”, zei de ogencontroleur wiens fiat ik nodig had om in het bezit te komen van een Amerikaans rijbewijs. Een redeloze woede steeg in me op, niet omdat ik zo stom was geweest mijn bril te vergeten die ik nooit op heb (terug naar huis, bril opsporen, nogmaals naar de rijbewijzencentrale, een half uur in de rij staan voor het ogenapparaat), maar vanwege het bezittelijke voornaamwoord.

Your ophthalmologist? Ik loop helemaal niet bij een oogarts! Het is al erg genoeg dat ik een gynaecoloog heb. Sinds ik daar een keer een voet over de drempel heb gezet, achtervolgt hij me met oproepen om maar weer voor nieuwe controles op te komen draven. Strikt routinematig screeningsonderzoek vanzelfsprekend. Alles ten behoeve van de preventie. Maar intussen wordt er ook lekker mee verdiend. Wat? Is er al weer een half jaar voorbij? Kijk ik in mijn agenda, blijkt het vorige bezoek nog geen vijf maanden geleden te zijn. Een beetje miezerige manier van inkomstenopdrijving.

Amerikanen zijn dol op specialisten. Vrouwen hebben een gynaecoloog en voor hun kinderen hebben ze een "pediatrician'. Van mannen weet ik het eigenlijk niet. Het zal wel een cardioloog zijn of een internist voor de jaarlijkse check-ups. In huisartsen (family doctors) hebben ze niet zo veel fiducie. Maar laatst zag ik tot mijn verrassing een overheidsreclamespotje op de tv, waarin het gebruik van family doctors werd aanbevolen.

Er werd uitgelegd wat een huisarts zoal doet en er werden geruststellende dingen gezegd over zijn of haar competentie. Veel Amerikanen denken dat een huisarts een soort beginneling is die alleen maar kan doorverwijzen naar de echte dokter ofwel de specialist. Nergens ter wereld is de gezondheidszorg zo duur als in Amerika. Een van de manieren om die kosten enigszins te beteugelen is om al die specialistenlopers eerst maar eens een huisarts te laten consulteren, want die kan het in driekwart van de gevallen best zelf opknappen. Of de Amerikanen massaal van gezondheidsstrategie zullen veranderen valt te betwijfelen, want wie eenmaal bij specialisten over de vloer komt, schakelt niet meer zo makkelijk terug.

Het voordeel van een huisarts is dat hij of zij heel de mens doet. Maar staatssecretaris Simons wil de huisarts op de concurrentiemarkt gooien. Als ik het goed begrepen heb, heeft hij een nieuw plan ontworpen voor de gezondheidszorg, waarin patiënten voor een aantal kwalen kunnen kiezen naar welke arts ze gaan. Kinderen tussen de nul en vier kunnen naar een speciale basisarts; de bloeddruk en het cholesterolgehalte kunnen door een GG en GD arts opgemeten worden en de terminale zorg kan ook voor rekening van een verpleeghuisarts komen. Het kan allemaal, maar het hoeft niet. De patiënt mag zelf kiezen.

Het is niet helemaal duidelijk wie met die keuzevrijheid gebaat zou kunnen zijn. De patiënten niet vanwege l'embarras du choix. De huisartsen niet, omdat taakverarming nooit leuk is. En de gemeenschap niet, omdat de kosten zullen stijgen. Eén persoon die pakweg twintig taken uitvoert is altijd goedkoper dan vier instanties waarover diezelfde taken verdeeld zijn.

Toegegeven, "heel de mens' klinkt een beetje vaag, om niet te zeggen holistisch. Het hele idee van een huisarts die in een spreekkamer zit met weinig meer dan een stethoscoop moet het wel afleggen tegen de specialist met zijn instrumentarium en laboratoriummogelijkheden. De sirenezang van de specialisten is zo doordringend dat huisartsen zelfs met fysiek geweld bedreigd worden door al te mondige patiënten, als er niet snel genoeg een verwijsbriefje wordt uitgeschreven.

Specialisten geven haring of kuit, want ze kunnen alles precies opmeten. Dat lijkt een voordeel, maar meestal worden er alleen maar meer vragen opgeroepen. Een Amerikaanse kennis ging met haar baby van een jaar oud naar haar "pediatrician' voor iets onbenulligs. Toen ze er toch eenmaal zaten, werden er meteen wat tests gedaan, waaruit bleek dat de baby één maand achter lag in ontwikkeling. Haar werd aangeraden over drie maanden terug te komen voor nieuwe tests om te kijken of de achterstand was ingelopen (ze was zo verstandig om dit niet te doen).

Ook als er niets aan de hand is, willen specialisten altijd dat je terugkomt over zes maanden of over een jaar, omdat er in de tussentijd van alles mis kan gaan. Daar valt niets tegenin te brengen. Al is vandaag het mammogram brandschoon, er kan zich een paar weken later best een knobbeltje in de borst vormen. Het werk van een huisarts is weinig spectaculair. Bevallingen zijn al praktisch uit het takenpakket verdwenen. Hij schrijft eens een antibioticum voor of een hoestdrankje, anticonceptiepillen of tranquillizers. Hij houdt de bloeddruk in de gaten of verwijdert een wrat. En als zich iets aandient dat ernstig lijkt, verwijst hij door. Voor de rest is het pappen en nathouden.

Wat zou de reden kunnen zijn om voor allerlei elementaire medische zorg de keuzemogelijkheden te verbreden? Patiënten zullen al snel voor de specialist kiezen, omdat die de hele dag met hetzelfde bijltje hakt en er dus wel meer van af zal weten. Maar van iets simpels en vrij veel voorkomends als hoge bloeddruk weet niemand echt waar dat precies door veroorzaakt wordt. Als een aantal oorzaken is uitgesloten, weet een specialist er even weinig raad mee als een huisarts. Een verpleeghuisarts heeft misschien in cijfers meer ervaring met doodgaan, maar een huisarts kent de voorgeschiedenis en de sociale omstandigheden van een patiënt.

Je kunt overal wel een specialist voor nemen, maar het is de vraag of de mensen daarvan opknappen. Het zou mij bijzonder spijten als de huisarts, een van de laatste manusjes-van-alles, uit het dagelijks leven zou verdwijnen. Ze zijn zoveel lakonieker dan specialisten die al dat grof geschut tot hun beschikking hebben. Huisartsen zelf, vertelde mij eens iemand die er zelf een was, bezoeken zelden of nooit een arts.

De reden hiervan was dat ze diep in hun hart denken dat er eigenlijk maar twee soorten ziektes zijn: de ziektes die vanzelf weer overgaan en de ziektes die nooit meer overgaan. In beide gevallen loont het niet de moeite een arts te bezoeken. Het is een instelling die me wel bevalt - in theoretische zin dan, want ik ga natuurlijk ook door de knieën voor de specialisten bij alarmfase rood. In de tussentijd is het prettig om een huisarts dingen te horen zeggen als: “het gaat wel weer over” of “je moet ermee leren leven”.

Bijt veel van de vooruitgang zichzelf niet in de staart? Hoe meer zuigelingen er in Afrika door vaccinaties in leven worden gehouden, hoe meer er een paar jaar later sterven aan de honger.

    • Beatrijs Ritsema