Kroatië is de Westerse sympathie kwijt

Het ultimatum van 31 augustus waarin de Kroatische regering de terugtrekking van het federale Leger uit Kroatië eiste, had voor Kroatië ernstige gevolgen. Het betekende dat het voor de eerste keer tot een rechtstreeks conflict kwam tussen de Kroatische Nationale Garde en het federale leger.

De gedachte dat de Servische president Milosevic en de Servische milities in Kroatië vanaf het begin van het conflict hetzelfde doel voor ogen hadden als het federale leger, berust op een misverstand. Het doel van de Servische politieke en militaire acties was - en is - een Groot-Servië; dat van het federale leger het behoud van Joegoslavië.

Wel was er zekere parallelliteit in doelstellingen, vooral het verhinderen van de onafhankelijkheid van Kroatië, omdat volgens de Joegoslavische grondwet uit Tito's tijd een republiek zich niet zonder toestemming van de andere republieken uit de Joegoslavische federatie los kan maken. Daarbij ontstond bovendien de indruk dat het gehele federale leger de Servische milities ondersteunde, terwijl het meer voor de hand ligt te veronderstellen dat het vooral ging om incidentele steun van legeronderdelen die onder bevel stonden van Servische en Montenegrijnse officieren.

Maar door het ultimatum van 31 augustus dat neerkwam op een oorlogsverklaring van de Kroatische leiding aan het federale leger, ontstond er een volstrekte overeenstemming tussen de doelstellingen van het federale leger, de Servische "vrijscharen', en de Servische president Milosevic. Vanaf dat moment ging het hen erom de Kroatische leiding door een militaire nederlaag ten val te brengen.

De gevolgen waren verschillend, maar ze waren vrijwel allemaal negatief voor Kroatië. De overname van het federale leger door Servië werd er door versneld: het wordt steeds meer een Servisch leger, omdat vele Kroatische, Macedonische en islamitische officieren het leger verlaten en dienstplichtigen en reservisten zich vrijwel alleen nog uit Servië en Montenegro laten recruteren. De poging tot overname van het staatspresidium (op 3 oktober) door Servië, in afwezigheid van de vertegenwoordigers van Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina en Macedonië, was vooral bedoeld om het Servische politieke gezag over het federale leger te vestigen. Daarnaast ziet het ernaar uit dat minister van defensie, generaal Veljko Kadijevic, zijn gezag aan het verliezen is, doordat zijn wapenstilstandsakkoorden met de Kroatische president Tudjman steeds zijn mislukt.

Dat is opnieuw een voor Kroatië verontrustende ontwikkeling, omdat Kadijevic de Joegoslavische stroming binnen de legertop vertegenwoordigt, tegenover de pro-Servische stroming die gepersonificeerd is in de chef-staf, generaal Adzic. Het pro-Servische deel van de legertop wil de oorlog met Kroatië graag winnen. Daarnaast heeft de Kroatische blokkade van de kazernes van het federale leger in Kroatië geleid tot een sterke verandering in de aanvankelijk onverdeelde Westerse sympathie voor Kroatië. Die Kroatische actie was misschien wel te verklaren, maar niet te rechtvaardigen. Want in politiek opzicht was het een blunder, omdat toen al duidelijk was dat er geen sprake meer kon zijn van de erkenning van een eenzijdige verandering van de grenzen. Dat is ook officieel vastgelegd tijdens de ontmoeting op 4 oktober in Den Haag onder leiding van Van den Broek en Carrington waaraan werd deelgenomen door Milosevic, Tudjman en Kadijevic. Dat betekent dat de Servische veroveringsoorlog van Servië vergeefs is geweest en een onmiddellijke wapenstilstand zou dan ook het logische resultaat moeten zijn geweest.

De oorlog tussen Kroatië en het federale leger blijkt nu een eigen leven te leiden. Het federale leger stelt dat het hen alleen gaat om de bevrijding van de belegerde kazernes; Kroatië verklaart dat het gaat om het terugdringen van het bezettingsleger. Ondertussen zijn de gevolgen van de oorlog voor Kroatië zeer ernstig. - De materiële schade als gevolg van de oorlog is niet in geld uit te drukken als het gaat over de vernietiging van de kathedraal in Sibenik of van monumenten uit de Oudheid of de Middeleeuwen zoals in Zadar en Dubrovnik. Steden als Osijek en Vukovar schijnen al geheel vernietigd te zijn. - Waarschijnlijk zal het federale leger als een duidelijke overwinnaar uit de strijd te voorschijn komen. Dat betekent dat zowel in Kroatië als bij de onderhandelingen in Den Haag, serieus met dat leger rekening moet worden gehouden. Ook als Kroatië er aan de onderhandelingstafel in slaagt het federale leger tot terugtrekking uit Kroatië te bewegen, zal de oorlog verder gaan, omdat dat nog niet de terugtrekking betekent van de Servische milities en "vrijscharen'. Het vervolg is dan waarschijnlijk een langdurige en smerige guerrillaoorlog in alle gebieden die nu door het federale leger zijn ingenomen. - De oorlog heeft in Kroatië de positie versterkt van de Kroatische extremisten, die Tudjmans wapenstilstand met het federale leger als verraad beschouwen. Hun aanhang onder de Kroatische bevolking is toegenomen, omdat in de afgelopen maand veel slachtoffers zijn gevallen. Dat is in hun ogen vergeefs geweest als niet verder gevochten wordt voor een "beslissende overwinning'. - Er is geen sprake van de versnelling van de internationale erkenning van de Kroatische onafhankelijkheid als gevolg van de oorlog. Als een ingewikkeld conflict als dat in Joegoslavië wordt toegespitst op alleen de vraag of het Westen Kroatië als onafhankelijke staat zal erkennen, wordt een situatie gecreëerd waarin het conflict alleen kan eindigen met het aanwijzen van een winnaar en een verliezer. Er is geen twijfel over dat de erkenning van de onafhankelijkheid van Kroatië in Servië beschouwd zou worden als een onaanvaardbare nederlaag. Dat zou vrijwel zeker leiden tot nog ergere vormen van militantisme en tot de mobilisatie van alle Serviërs om hun "broeders' in Kroatië te gaan "redden'. De kans op een escalatie waarbij mogelijk geheel Europa wordt betrokken, zou daarmee worden vergroot.

De conferentie in Den Haag was dan ook niet bedoeld om te beginnen met de volkenrechtelijke erkenning van Kroatië, hoewel dat in Kroatië werd verwacht. Er zou in dat geval echter voor Servië geen enkele reden zijn geweest om aan de onderhandelingen deel te nemen. Voor de Servische president Milosevic was de belangrijkste reden om aan de conferentie deel te nemen de vrees dat het Westen anders de onafhankelijkheid van Kroatië zou erkennen. In Kroatische politieke kringen was de teleurstelling over de openingsvergadering in Den Haag dan ook groot. De hoop dat de EG Kroatië zou helpen is grotendeels verloren gegaan en volgens professor dr. Zdravko Tomac, vice-voorzitter van de Kroatische regering, is men zich ervan bewust dat (...) “een aantal zetten die wij moesten doen - ons te bewapenen, een groot aantal mannen te mobiliseren en praktisch de oorlogstoestand uit te roepen en kazernes aan te vallen - niet erg goed zijn ontvangen (...) Wij zeiden tegen hen (de EEG) - u kunt niet van ons verwachten om te ondertekenen wat u ons aanraadt terwijl wij tegelijkertijd aangevallen worden door de andere partij en ons niet mogen verdedigen om hen niet uit te dagen. Alsof het nodig is om hen uit te dagen!” (interview in het weekblad Globus).

De politieke commentatoren in de Kroatische pers hadden dan ook geen goed woord over voor het voorzitterschap van minister Van den Broek en er wordt kwaadaardig geschreven over de grote verdeeldheid in de EG over Joegoslavië. Intussen noemen zowel Servische als Kroatische publikaties openlijk de landen die ze tot hun "traditionele vrienden' rekenen. In Kroatië wordt Groot-Brittannië als de grootste Servische bondgenoot voorgesteld. Dat was hoofdzakelijk het gevolg van een uitlating van Milosevic die na het Igalo-akkoord, triomfantelijk liet weten dat Lord Carrington aan "onze kant staat'. De beeldvorming werd bovendien nog versterkt werd door de afwijzende houding van premier Major inzake een interventiemacht voor Joegoslavië. Soms lijkt het wel dat Joegoslavië een grotere invloed op de EG uitoefent dan omgekeerd en dat de EG "balkaniseert' als gevolg van de crisis in Joegoslavië.

Ondanks de intensivering van de burgeroorlog in Joegoslavië zou het niet verstandig zijn de conferentie in Den Haag te onderbreken. Die is namelijk van essentieel belang voor het bereiken van een langere-termijnoplossing voor de fundamentele politieke en economische crisis in Joegoslavië.

Daarbij is de bijdrage van minister Van den Broek belangrijker geweest dan op dit moment wordt beseft. Op korte termijn heeft zijn initiatief om een vredesconferentie bijeen te roepen echter geen resultaten opgeleverd en dat was wat blijkbaar algemeen werd verwacht. Maar intussen is de Nederlandse minister er nu wel in geslaagd aan alle partijen duidelijk te maken dat niet alleen de resultaten van de onderhandelingen belangrijk zijn, maar ook het onderhandelingsproces en dat dus in Den Haag niet iets voor de ene en tegen de andere partij beslist kan worden. Het moet erom gaan de partijen te helpen om de werkelijke problemen te identificeren en te isoleren en er een voor iedereen bevredigende oplossing voor te vinden. Die voor alle Joegoslavische volkeren relevante problemen betreffen vooral: noodzakelijke grondwetswijzigingen; het regelen van de verhoudingen tussen de nationaliteiten, en daarbij vooral het definiëren van de begrippen culturele en politieke autonomie van minderheden (wat van essentiële betekenis is, zowel voor Kroatië wegens zijn Servische minderheid (600.000), als voor Servië dat enorme niet-Servische minderheden binnen haar huidige grenzen heeft: zoals 1,7 miljoen Albanezen in Kosovo, 400.000 Hongaren en 180.000 Kroaten in Vojvodina, en een groot aantal moslims in Sandzak); het invoeren van economische hervormingen; een markt-economie, privatisering van de staatsbedrijven, hervorming van de banken, van het belastingsysteem, van het monetaire systeem en van de gemeenschappelijke markt.

Al deze problemen stonden in de jaren tachtig op de politieke agenda van de elkaar in snel tempo opvolgende Joegoslavische leiders. De burgeroorlog is een direct gevolg van de politieke onmacht om deze problemen op te lossen. De Servische president Milosevic heeft ervoor gezorgd dat deze politieke prioriteiten echter ondergeschikt werden gemaakt aan een irrationeel nationalisme en dat heeft tot de huidige bloedige ontwikkelingen geleid.

Dat betekent echter niet dat de schuld bij het hele volk ligt. Volgens Milos Vasic, een lid van de Servische oppositie, . . .“hebben de Serviërs uit Kosovo Milosevic aan de macht geholpen, hebben de Serviërs uit Kroatië hem aan de macht gehouden, maar zullen de Serviërs uit Servië hem ten val brengen.” Geen enkele politieke leider wiens beleid in een uitzichtloze oorlog resulteert, kan erop rekenen daarna nog lang aan de macht te blijven. Voor Kroatië blijft het ondertussen het belangrijkste het Servische expansionisme aan de onderhandelingstafel te bestrijden en niet met geweld in Joegoslavië. Bovendien, onafhankelijk of niet: Servië blijft voor Kroatië een van de naaste buren.

    • Nevanka Tromp-Vrkic