Wat in gemeenten gebeurt, vertekent koopkrachtplaatjes; Hogere lokale lasten buiten beeld

DEN HAAG, 7 OKT. Vanaf morgen is het weer raak. Tijdens de algemene beschouwingen steggelen Tweede Kamerleden vol vuur over de gevolgen van premie- en belastingwijzigingen voor de koopkracht van minima en andere huishoudens. Tot op een kwart procent nauwkeurig worden allerlei koopkrachtplaatjes doorgerekend. Maar wat er op lokaal niveau gebeurt blijft buiten beschouwing.

Anderhalve maand geleden wist premier Lubbers zelfs te melden dat de minima, dank zij het toen gepresenteerde belastingpakket, er in 1992 nog zes gulden per maand op vooruit gingen. “Dat slaat werkelijk nergens op, zo'n cijfer is uiterst bedrieglijk,” zegt Klaas de Vries, directeur van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De stijging van lokale heffingen en belastingen heeft in een aantal gemeenten een aanzienlijk groter effect - maar dan wel in omgekeerde richting.

Exacte cijfers op dit terrein zijn in Nederland niet eenvoudig te vinden; ook de VNG heeft ze niet. Gelukkig verzamelt de gemeente Tilburg jaarlijks gegevens over de lokale lastendruk in de 23 grootste gemeenten van Nederland. Na enig rekenwerk blijkt dat de belangrijkste gemeentelijke belasting - de onroerend goed belasting - in 1991 met ruim 5 procent stijgt tot 388 gulden per woning per jaar.

Dat lijkt op zich nog wel mee te vallen. Maar je zult maar in Maastricht wonen, waar de opbrengst per woning dit jaar met 125 gulden per woning stijgt tot 484 gulden (alleen Haarlem zit nu met 501 gulden nòg hoger). Een andere provinciale hoofdstad, Groningen, mag er met een stijging van 84 tot 388 gulden evenzeer zijn. Nummer drie is ook al een provinciale hoofdstad: in Utrecht stijgt de onroerend goed belasting met 48 gulden tot 458 gulden.

Nog veel meer spectakel levert een beschouwing van de gemeentelijke heffingen op. De belangrijkste heffing, die voor de afvoer van huisvuil, gaat in 1991 in de 23 grootste Nederlandse steden met gemiddeld bijna 26 procent omhoog, tot 165 gulden per woning per jaar.

Zaanstad en Leiden spannen hier de kroon. Een Leidenaar betaalde voor het ophalen van huisvuil in 1990 nog 33 gulden per woning; dit jaar is dat bedrag opgevijzeld tot 207 gulden. Nog veel meer betaalt een inwoner van Zaanstad: in 1990 was hij-zij al 167 gulden per woning kwijt, dit jaar is dat liefst 346 gulden. En dan te bedenken dat Zaanstad ook met het rioolrecht tot de vier duurste steden van Nederland behoort...

Gemiddeld gaat het rioolrecht in de 23 grootste gemeenten dit jaar bijna 8 procent omhoog, tot 83 gulden per woning. Haarlem, dat voorheen geen rioolrecht kende, spant hier de kroon met een stijging van 119 gulden per huishouden.

Wie de afvalstoffenheffing, het rioolrecht en de onroerend goed-belasting samen beziet, komt tot een onthutsend resultaat. Per woning per maand bedraagt de stijging in 1991 in de 23 grootste gemeenten 5,60 gulden. Dus bijna evenveel als de inmiddels beruchte zes gulden die de minister-president de minima in 1992 had toegedacht. Die zijn ze dus al weer kwijt.

Natuurlijk zijn er goede redenen te noemen waarom de huisvuilheffing en het rioolrecht omhoog moeten. De verwerking van huisvuil kost, met alle verbrandingsproblemen, steeds meer geld. En het onderhoud van de riolen is al evenzeer een kostbare zaak. Het milieu lijkt vooral op lokaal niveau een zaak waarvoor de burger moet betalen. Maar wordt het geld wel geheel gebruikt waarvoor het is bedoeld? De enorme verschillen tussen de verschillende gemeenten voeden de twijfel.

Bovendien is er de befaamde, zo niet beruchte decentralisatie, het streven van het Rijk taken over te hevelen naar gemeenten en provincies. Zonder meer eigen inkomenstenbronnen voor de gemeenten zal dat niet lukken. Maar zal de stijging van de lokale lastendruk wel gepaard gaan met een daling van de centrale lastendruk? Op papier wel, maar in de praktijk?

De eigen inkomsten van de gemeenten beslaan nu nog slechts 10 procent van alle inkomsten; de rest komt via algemene en specifieke uitkeringen uit centrale bron, bij voorbeeld via het Gemeentefonds. In andere landen, zoals Denemarken, is het "eigen' aandeel van de gemeenten veel groter. Die 10 procent kwam in 1990 overeen met 5 miljard gulden, waarvan 2,9 miljard via de onroerend goedbelasting werd verkregen.

Natuurlijk is er een alternatief voor hogere belastingen: efficiency-winst. Het kabinet gaat ervan uit dat met de overheveling van taken een efficiencywinst van 5 à 10 procent kan worden verkregen. Met een overhevelingspakket van 8,5 miljard gulden zou een besparing van 550 miljoen gulden in 1994 mogelijk zijn. Dat lijkt een fors bedrag. De VNG is in ieder geval van mening dat voor zo'n bezuiniging minstens 29 miljard gulden aan taken moet worden overgeheveld. Het alternatief ligt dan voor de hand: hogere lokale lasten.

Wat dat voor het gemiddelde Nederlandse huishouden betekent is nog duister, temeer omdat recente CBS-budgetcijfers ontbreken. Wel is duidelijk dat ook in de jaren vóór 1990 de lokale lasten al aanzienlijk zijn gestegen. Tussen 1980 en 1987 gingen de reinigingsrechten per huishouden in heel Nederland (dus niet alleen in de 23 grootste steden) omhoog van 68 tot 115 gulden, steeg de onroerend goedbelasting van 154 naar 231 gulden en gingen de overige eigenaarslasten omhoog van 92 naar 162 gulden.

Kortom, de burger die dankbaar is voor de lastenverlichting van het Rijk wordt langs andere weg allerminst ontzien.

    • Kees Calje