Sporen van moeizaam geploeter in Noord-Brabant

Tentoonstelling: Rijke oogst van schrale grond, t-m 24 nov. in het Noordbrabants Museum, Den Bosch. Di t-m vr 10-17u, za en zo 12-17u. Catalogus ƒ 49.50.

Vier jaar geleden verwierf het Noordbrabants Museum een grote verzameling van meer dan 1500 gebruiksvoorwerpen uit de zeventiende tot begin negentiende eeuw, aangelegd door antiquair Jan Beerendonk uit Lage Mierde. Door toevoeging van reeds aanwezige deelcollecties beschikt het Bossche Museum nu over een ”volkskundige collectie van betekenis', in de woorden van de directeur.

Vroeger zou men een selectie van de esthetisch meest geslaagde exemplaren als voorwerpen van ”volkskunst' tentoonstellen, desgewenst als spiegel van het ”volkseigen' van een bepaalde streek. Daar kun je nu moeilijk meer mee aankomen, en niet alleen door de eventuele bloed-en-bodem associaties. Sinds enige tijd is in de museale en geschiedwetenschappelijke wereld immers de notie doorgedrongen, dat gewone gebruiksvoorwerpen heel andere en veel interessantere verhalen kunnen vertellen. Of ze mooi zijn of niet, doet dan niet ter zake (hoewel iemand als Beerendonk zijn objecten wel degelijk nog op hun esthetische waarde selecteerde). Gebruiksvoorwerpen kunnen de historicus, de volkskundige en hun publiek in staat stellen om ”via de dingen tot het gedrag van mensen te geraken' - mits de benodigde context wordt geboden.

Dat nu is klaarblijkelijk de bedoeling van de tentoonstelling Rijke oogst van schrale grond, die het Noordbrabants Museum uit zijn volkskundige verzameling heeft samengesteld. De expositie wil ”een overzicht van de Zuidnederlandse materiële volkscultuur ca. 1700-1900' bieden. Onder ”Zuid-Nederland' wordt het hele gebied tussen Maas en Schelde begrepen. ”Materiële volkscultuur' heeft, blijkens de inleidende beschouwing van Gerard Rooijakkers in de catalogus, betrekking op alle tastbare voorwerpen die worden gebruikt in het dagelijks leven: de doodgewone huishoudelijke attributen. Dan gaat het, aldus de catalogus, vooral om de betekenis die ze hebben voor het gedrag van mensen.

Wat is de ”betekenis' van de pollepel of de piespot? Maar de breedheid van de opzet is wel duidelijk. Het is waar: de echte ingrijpende veranderingen in het dagelijks leven voltrokken zich in Brabant, althans op het platteland, pas omstreeks of na de laatste eeuwwisseling. Vooral de negentiende eeuw bracht veel nieuws, zoals op de tentoonstelling duidelijk te zien is: de doorbraak van de aardappel en de langgevelboerderij, de toenemende invloed van de Roomse geestelijkheid en heftige schommelingen in de gezinsgrootte, om maar een greep te doen.

De tentoonstelling legt dan ook een sterke nadruk op de negentiende eeuw; van de achttiende is veel minder te zien. Ook in andere opzichten is het bestreken terrein in feite kleiner dan wordt gesuggereerd. Het merendeel van de voorwerpen is afkomstig uit Noord-Brabant, en wel uit het oostelijk deel van die provincie. Van de ”materiële volkscultuur' wordt toch vooral die van het platteland en met name die van de boeren belicht. De elites en de stadsbevolking blijven vrijwel buiten beeld.

Ondanks - of misschien dankzij - deze beperkingen is het een alleraardigste tentoonstelling geworden, royaal opgezet in drie ruime zalen. De grootste daarvan is, heel toepasselijk, goeddeels bedekt met de schrale zandgrond waaraan de pre-industriële Brabantse plattelanders zo moeizaam hun karig bestaan hebben ontworsteld. Tot in deze eeuw was het voornamelijk armoede en gebrek, daar op de zandgronden. Het werk op de akker was slopend geploeter: “De meeste jongens zijn voor 't einde hunner wasdoms stijf en krom gearbeid”, werd in een enquête van 1800 geconstateerd. Veel huizen waren donker, koud en vochtig, en het voedsel was vaak behalve ontoereikend ook gewoon vies. “Het eten van verschrompelde of uitgelopen aardappelen, te zout geworden groente of ranzig spek was (...) een onvermijdelijk jaarlijks wederkerend gebeuren”.

Die levensomstandigheden waren niet te wijten aan domheid en luiheid van de bewoners, zoals hooghartige buitenstaanders wel meenden, maar door gebrek aan een benodigdheid waar de Brabanders nu bijkans in stikken: mest. “Het mest is als een tweeden God”, luidde het toen, want net als andere bebouwers van schrale gronden zaten de Brabantse boeren gevangen in een vicieuze cirkel. Het land bracht te weinig op bij gebrek aan stalmest, waardoor niet genoeg veevoer voorhanden was, en dus te weinig mest, enzovoort. Pas de komst van de kunstmest bracht uitkomst: het land ging meer opbrengen, de boeren hielden meer over, konden hun bedrijfsvoering verbeteren, er werden coöperaties opgericht, men begon aan ontginningen, enzovoort, maar nu in opwaartse richting. De vicieuze cirkel werd een opschroevende spiraal, die zijn plafond nog steeds niet heeft gevonden.

Mooier is het Brabantse land er niet op geworden. De bewoners leven er aanmerkelijk comfortabeler dan een eeuw geleden, maar waar tot het eind van de negentiende eeuw delen van de provincie nog door eindeloze heidevelden, zandvlakten en veenmoerassen overdekt waren, vinden we nu de naargeestigste landschappen van Nederland.

Wie alleen maar wat door de smaakvol ingerichte expositie heeft geslenterd, gaat waarschijnlijk met andere gedachten naar huis, en aangenamere. Het effect zal op de meeste bezoekers toch dat van het musée sentimentale zijn. De bezoeker kan terloops wat opsteken over de vindingrijkheid van de houtbewerkers en de vele bewerkingen (repelen, roten, brakelen, zwingelen, hekelen) die nodig waren om van vlas linnen te maken. Lange rijen in onbruik geraakte werktuigen (zichten en zeisen, haarijzers en pikhazen, strekels en gaffels, wanmolens en graanharpen) trekken aan zijn oog voorbij.

Tot slot een raadsel. Een van de roerendste getuigenissen van deze temps perdu is een aardappelschotel, zo'n zelfde als op het beroemde schilderij van Van Gogh, waar een achtkoppige familie uit Eersel blijkbaar jaar in, jaar uit aardappelen uit heeft zitten lepelen. Er zitten acht slijtplekken op regelmatige afstand in de rand van het vaatwerk, waar iedere aardappeleter steeds met zijn lepel langsstreek. Prachtig. Maar hoe kan dat eigenlijk? Zelfs als de schotel steeds op precies dezelfde plaats op tafel stond, en de eters steeds in exact dezelfde positie daaromheen, dan nog is niet begrijpelijk hoe de plekken konden ontstaan, tenzij de schaal steeds zó werd gedraaid dat ieder steeds hetzelfde segment voor zich had. Hoogst onwaarschijnlijk! Zal de tand des tijds een handje geholpen zijn?

    • Gert Jan van Setten