Show in Londen zegt alles over de Japanse waarden en prioriteiten; De post-emotionele droom van het moderne Japan

De Vision of Japan-expositie in het Londense Victoria & Albert Museum (“onze grootste tentoonstelling van deze eeuw”) is misschien niet naar ieders smaak. Maar zij zegt veel over Japans waarden en prioriteiten. Zijn wij bereid om de suprematie van deze "andere cultuur', die het gevolg zal zijn van Japans onvermijdelijke supermacht-status, te accepteren?

Het is niet moeilijk om de Japan-tentoonstelling in het Victoria & Albert Museum - zoals door sommige critici niet zonder reden is gebeurd, af te doen als een misplaatste, onkunstzinnige vertoning die thuishoort op een Wereld Expo in plaats van in een prestigieus museum. Maar dat maakt haar niet minder belangwekkend.

Het vier maanden durende, zeventig miljoen gulden kostende Japan Festival in Britain waarvan deze tentoonstelling de hoeksteen pretendeert te zijn, is immers geen frivool feestje. Het is een ambitieuze, breedopgezette culturele manifestatie, grotendeels door het Japanse bedrijfsleven gefinancierd en het heeft alle schijn van een massale public relations-campagne, bedoeld om de Britse vriendschap te winnen. Japan kan in het exclusieve Europa van na 1992 een invloedrijke pleitbezorger maar al te goed gebruiken. Het is dus alleszins terecht en noodzakelijk - want onze eigen toekomst is er mee gemoeid - een paar indringende vragen te stellen over het hoe en waarom van deze operatie.

In de eerste plaats, waarom Groot-Brittannië? We lezen dat het tentoongestelde aan het eind van de rit wordt vernietigd om "invoerrechten te vermijden'. Geen soortgelijke grootse gebaren dus in Frankrijk, Duitsland of Italië, om van de kleinere landen maar te zwijgen. Verder, zal het effect sorteren? Zijn de Britten het soort volk dat zonder veel morren de verwachte tegenprestatie ook daadwerkelijk zal leveren? Maar bovenal: verbergt dit Trojaanse paard van Japanse goede intenties niet meer dan de doorzichtige, op zich niet sinistere, politieke doelstellingen? Zijn er geen grotere implicaties voor de Britten en de EG, een lange termijneffect, dat wij beter aan een analyse kunnen onderwerpen, nu er nog tijd is om er iets aan te doen?

Natuurlijk Groot-Brittannië. In de eerste plaats omdat zijn eigen industrie al lang in een fatale malaise verkeert en steeds afhankelijker wordt van vooral Japanse technologie, financiering en geboden werkgelegenheid. De Britten zouden wel heel onwijs zijn als zij dit groeiende Japanse belang in hun economie niet zouden koesteren en met een stootje in de goede richting zullen zij ook best bereid blijken zich uit te sloven om het elders in de EG opduikende nationalistisch en "fort-Europa' protectionisme de mond te snoeren. Een andere, subtielere reden om de keuze voor Engeland te verklaren heeft te maken met volkskarakter. Als eilandbewoners zijn de Britten, net als de Japanners, terughoudend, met een sterk gevoel voor decorum en een wantrouwen jegens buitenlanders. In tegenstelling tot de Fransen en de Duitsers vermijden zij instinctief emotionele betrokkenheid met buitenlanders.

Op deze grootscheepse Japanse show in Groot-Brittannië is daarom eerder een reactie te verwachten van beleefde uitroepen van ingetogen bewondering en welgemanierde appreciatie dan van oproepen tot serieus debat over de diepere oorzaken en consequenties. De gegadigden uit het establishment zullen zich gevleid voelen door de - hun overigens "toekomende' attenties en thuis vertellen dat we toch werkelijk iets moeten doen voor deze aardige mensen. Het doel lijkt dus zeker te verwezenlijken. Door "cultuur' te gebruiken als ruggesteun voor hun politieke en commerciële ambities - en door de keuze op Engeland te laten vallen - vermijdt Japan veel onaangenaams en houdt het de sfeer prettig zoals het gentlemen betaamt.

"Eendracht en vooruitgang voor de mensheid' was het eufemisme dat Japan op de Osaka Expo van 1970 voor dit beleid hanteerde. Maar het probleem met dergelijke tegengestelde begrippen is natuurlijk dat de vooruitgang nogal eenzijdig zal zijn. Daarover niet getreurd - beschouw het Leven als een Spel. Want ja, dat is het officiële thema van dit Japan Festival hier in 1991. Hiermee raken we de kern: we hebben te maken hebben met een fundamenteel andere en daarom grotendeels met de onze onverenigbare samenleving. Tot zo'n dertig, veertig jaar geleden kende de gemiddelde Europeaan de Japanner alleen als voormalige vijand. Hun cultuur was een gesloten boek voor ons. We hadden niets met hen gemeen, geen gedeelde geschiedenis, niet eens de scheve verhouding van een koloniale band.

Het "enige' wat sindsdien is veranderd is een dramatische verschuiving in de machtsverhoudingen. Japan is nu de op één na grootste en rijkste economie in de wereld en afhankelijk van de maatstaf die wordt toegepast, al nummer één. Maar de Japanse geest lijkt voor ons nog steeds onbereikbaar, hun emotionele aard en bronnen van energie even mysterieus als in het verleden. De veelzijdige kunstuitingen van Japanse makelij waarmee het Westen heeft kennisgemaakt, zijn of sterk traditiegebonden of de produkten van dissidente groepen en eenlingen die hun creativiteit vaak pas buiten Japan tot bloei konden brengen.

Het is een opzienbarende prestatie: vreedzame verovering zonder assimilatie of zelfs verbroedering, geleid vanuit een centrale commandopost aan de andere kant van de aardbol. En de prijs? Voor een antwoord op die vraag moet de V & A-expositie worden bezocht.

Voor het gemak beginnen we in zaal II, terecht "Chaos' genaamd. Het is een soort mini-Tokio, niet een maquette maar een kakofonie van straatlawaai, attracties en stadsvertier. Je loopt door een slingerende straat en komt van alles tegen en al gauw besef je dat het vertoonde nooit uitstijgt boven het puberale, het passief-consumptieve. Je loopt langs het monster Godzilla in actie, langs batterijen verkoopautomaten met van alles en nog wat in de aanbieding - van kanten slipjes en pulp-stripboeken tot karaoke zangcellen, voorgedrukte lotsvoorspellingen en elektrische massagestoelen. Het is allemaal wel grappig, maar niet erg stimulerend want niemand verwacht dat je zelf denkt, voelt of bijdraagt.

In zaal III - een lege ruimte geheel gereserveerd voor de geavanceerde projectie van teksten en futuristisch lijkende beelden uit het huidige Japanse stadsleven - lezen we dat mensen bezig zijn te muteren in androïden en daarmee een sterker gevoel van intimiteit putten uit het contact met machines en beelden dan uit live mens-tot-mens communicatie. Dit is niet bedoeld als waarschuwing: deze show heet Dreams en men spreekt er de hoop uit dat we allemaal zullen zwijmelen in een staat van "gelukzalige overinformatie'.

Met dit perspectief wordt zelfs zaal I, Cosmos geheten, problematisch. Ook hier is alles geabstraheerd, gefragmenteerd, omgezet in vormen en beelden die, naar ik aanneem, beter toegankelijk zijn voor de geïnvolveerde geesten, de ingewijden tot de "vluchtigheid der realiteit', van zaal III. De Boeddhistische ikonen van optische vezels, de spiegelreflecties van getatoeëerde gangsters, de lijkwagen op de grens van deze wereld en de volgende, de ronddraaiende tempelpilaar, de uitvouwbare theekamer met hologrammen als theekommen - het lijkt allemaal heel goed te passen bij de hypersimulerende digitale personen van de nieuwe Japanse generatie. Het is alsof zij hun verleden in zijn geheel hebben ingeslikt, om het vervolgens als een nieuwe esthetiek weer uit te braken, ontdaan van alle passie en sentiment. Het verleden is gereduceerd tot een elektronische gebeurtenis, een spel.

Toyo Ito die zaal III heeft ontworpen, zegt dat het leven in het Tokio van vandaag niet veel verschilt van zijn toekomstvisie. Dit is de mening van één persoon, maar het is denkbaar dat een volk als het Japanse weinig bezwaar heeft tegen een dergelijke overgang. Hun cultuur heeft altijd individualisme geschuwd, zelfontkenning verheven tot hoogste deugd, de expressie van emoties veroordeeld en spel en vermaak geritualiseerd. Afwijkend denken en creativiteit buiten de normen werd beantwoord met uitstoting - in zekere zin nog steeds. Om de grote bevolking van thans honderddertig miljoen mensen in toom te houden, hebben Japanse leiders zich altijd paternalistisch opgesteld en hebben zij gevoelens van loyaliteit en nationale trots een bijna mystieke lading gegeven. Om het Japanse systeem te beschermen werd en wordt immigratie sterk tegengewerkt, zelfs de integratie van verwante minderheden zoals de Koreanen is ongewenst. Het is begrijpelijk dat een dergelijke intense conditionering - versterkt door een opzettelijk in leven gehouden crisismentaliteit en een hoog opleidingsniveau - gemakkelijk kon leiden tot een situatie waarin onbeperkte groei en innovatie in het naoorlogse Japan door het volk werden geaccepteerd als de enige idealen van belang.

Het resultaat was dubbel fortuinlijk: de volgzame werknemers deden wat er van hen werd verlangd en - als compensatie voor de meer gelaagde, meer volwassen levensinvulling die hun was ontzegd - groeiden uit tot een allesverslindende, veeleisende consumentenklasse, die op haar beurt de eigen industrie tot uitzonderlijke prestaties dwong.

De gesignaleerde verminderde behoefte aan vitaal beleven en de vernauwing van expressiemogelijkheden vinden in dit alles hun verklaring. In deze zin moet de "droomfase' van zaal III misschien gezien worden als de onvermidelijke en logische consequentie van het Japanse systeem van socio-psychologische manipulatie en overheidscontrole. Moeten we dan concluderen dat de supermacht die voor de komende halve eeuw ons leven drastisch gaat beïnvloeden, een post-emotionele computerfreak blijkt te zijn, onbewogen door menselijke noden en realiteiten elders? Dat hij bovendien van het soort is dat de wereld als zijn speeltuin beschouwt en iedereen die zich niet aan de regels houdt als iemand die het kennelijk niet "begrijpt'?

Nee - dat zou te simplistisch zijn en niet accuraat, en vooral onaardig. De Japanners hebben ons veel schoonheid en gemakken geschonken. Wie ooit hun artistieke verfijning werkelijk heeft beleefd is voorgoed veranderd. En de kwaliteit en vormgeving van hun industriële produkten hebben onze "way of life' een totaal ander gezicht gegeven. Maar wij mogen niet voorbijgaan aan de schijnbaar ongeremde afdaling naar een soort apathische en banale zelfingenomenheid van grote groeperingen uit de Japanse samenleving. Er zijn voorbeelden te over: het cameraklikkend, nietsziende gedrag van tourgroepen; het consumeren door keuriggeklede jonge zakenmannen van stapels (porno)stripboeken; de absurde verslaving van miljoenen aan golf; de loze leegheid van veel jongeren (inclusief afgestudeerden); het onvermogen (of onwil?) van zoveel Japanners om een wezenlijk gesprek te voeren, ook in de eigen taal.

Het enige dat iedereen schijnt op te winden is "activiteit' per se of de illusie daarvan via het scherm. Er is behoefte aan nooit aflatende vernieuwing (produkten zijn altijd "net uit'), aan beweging, de dynamiek der verandering.

Dit alles gaat ons aan, omdat het waarschijnlijk is dat ook de Japanse manager-klasse, die mede onze toekomst gaat bepalen, niet immuun zal blijven voor dit soort gedrag, deze wijdverbreide "levenshouding'. En bovendien omdat wij nu eenmaal een heel andere en zeer dringende agenda hebben af te werken. Voorlopig staan wij in het Westen nog tot aan de knieën in de milieuvervuiling, asielzoekers, daklozen, gebroken gezinnen, regionale oorlogen en omwentelingen aan onze grenzen, stervende industrieën en drugs. Het ziet er niet naar uit dat wij ons voorlopig de luxe van een "nirwana gehuld in wit geluid' kunnen veroorloven.

Natuurlijk maakt men zich ook in Japan in de meer kritische kringen veel zorgen over de hier bedoelde ontwikkelingen. Ik vermoed dat Arata Isozaki, de eminente architect die de Visions of Japan-tentoonstelling heeft gecreëerd, één van die bezorgde stemmen is en dat zijn expositie meer is bedoeld om te provoceren dan om te informeren. Wij mogen de complexe geschiedenis achter de beschreven fenomenen niet uit het oog verliezen en geen haastig oordeel vellen. En wat we helemaal moeten vermijden is Japan zijn successen te misgunnen. Zij zijn het resultaat van nooit aflatende toewijding aan een langbestaand doel, in niet geringe mate geholpen - hoe kon het anders - door Westerse blindheid en koppige onverschilligheid.

Maar er is alle reden tot ongerustheid. De vraag die we nu zonder uitstel moeten behandelen en beantwoorden, is hoe we dit Japan, dat tegen het eind van dit millennium zijn supermachtstatus definitief zal bereiken, tegemoet zullen treden. Deze historische ontwikkeling is voor Japan evenzeer een raadsel als voor ons in het Westen. Het verschil is dat zij al met de voorbereidingen bezig zijn.

    • Hans Brinckmann
    • de Vs
    • Japan. Hij Woont Nu in Londen
    • Is schrijver