Portugese communisten verliezen maar vechten door

LISSABON, 7 OKT. Volgens menselijke maatstaven heeft hij zijn laatste gevecht geleverd. Dat het zwaarder was dan ooit tevoren staat zelfs vast. Dit keer ging het immers niet alleen tegen de grootgrondbezitters, de fabrikanten en de geheime politie, maar bovendien tegen de loop van de geschiedenis zelf. Toch wil Alvaro Cunhal nog niet van opgeven weten. “Zolang een communist leeft, gaat hij geen veldslag uit de weg”, zei de oudste partijleider van West-Europa gisteren in zijn commentaar op het resultaat van de Portugese parlementsverkiezingen.

Cunhal wilde zelfs niet uitsluiten dat hij de Portugese communisten over vier jaar opnieuw zou aanvoeren. Zijn PCP, die onder de vlag van een "democratische unie' aan de parlementsverkiezingen deelnam, handhaafde zich als derde politieke groepering van het land. De teruggang van twaalf naar negen procent van het aantal uitgebrachte stemmen deed pijn maar werd ook wel verwacht. Terwijl overal in Europa de rode vlag wordt gestreken, haalden de Portugese communisten in sommige districten, zoals rond de industriestad Setubal, nog altijd 25 procent van de stemmen. “We hebben wel ergere tegenslagen meegemaakt”, analyseerde hun secretaris-generaal heel rustig. “Electoraal verlies doet niets af aan de rechtvaardigheid van onze zaak.”

De 78-jarige Cunhal heeft zichzelf in de campagne van de afgelopen drie weken geen moment gespaard. In zijn Citroën met getinte ruiten heeft hij het land in alle windrichtingen doorkruist, want voor het houden van vijf of zes forse toespraken per dag draait hij nog steeds zijn hand niet om. Kaarsrecht, de armen voor de borst gekruist, plaatst hij zich op dorpspleinen en in rokerige zalen achter de microfoon om uit te leggen dat het communisme niet ten dode is opgeschreven en dat er nog altijd “aan de horizon een maatschappij ligt die beter is dan het kapitalisme”. Hoewel hij geen opzwepend redenaar is, krijgen vooral oudere kameraden bij zulke woorden tranen in hun ogen. “Nooit meer fascisme!” wordt er soms geroepen, maar dan zegt Cunhal, dat die strijdkreet niet meer van toepassing is. “Het gevaar van het fascisme bestaat niet meer en ik denk zelfs dat het nooit meer terugkomt. We hebben een democratie en ons volk is sterk genoeg om die te verdedigen.”

In een dorp aan de oever van de Douro heft een jonge vader zijn kind omhoog naar de oude man met de volle witte kuif en de zwarte wenkbrauwen. “Kameraad, dit is mijn zoon. Hier is de nieuwe generatie communisten.” Cunhal kust het kind. Ook zelf wordt hij voortdurend omhelsd en gezoend. Bedeesde aanhangers zijn al gelukkig als ze in het voorbijgaan zijn jas mogen aanraken. “Het belangrijkste is, dat we vertrouwen in ons zelf blijven houden”, roept hij de mensen toe.

Een vaste kern van Portugese kiezers blijft de communisten inderdaad voorlopig trouw. Daar zijn verschillende redenen voor aan te geven. De partij is in de eerste plaats uitstekend georganiseerd. Ze heeft haar eigen, zeer actieve vakbonden. Haar bestuurders staan als eerlijk en efficiënt bekend. En de PCP kan bogen op een lange historie van consequent verzet tegen de dictators Marcelo Caetano en Antonio Salazar. Vooral dat laatste argument telt nog altijd zwaar in Portugal en is goeddeels verantwoordelijk voor de trouw aan de partijleider persoonlijk, die nu eenmaal onverbrekelijk met de strijd tegen de dictatuur verbonden is. Het verklaart ook de aarzeling van zijn politieke tegenstanders om al te persoonlijke aanvallen op Cunhal te lanceren. Het is toch een beetje alsof je vlak na de oorlog Gerben Wagenaar als kandidaat bij de Kamerverkiezingen tegenover je vindt.

Alvaro Cunhal werd in 1931, tien jaar na de oprichting, lid van de communistische partij van Portugal. In 1937 werd hij voor het eerst gevangen genomen en aan martelingen blootgesteld. Een jaar later kwam hij vrij, om in 1940 opnieuw te worden vastgezet. Een proces in 1949 gebruikte hij om vanuit de beklaagdenbank een heftig protest tegen de dictatuur te laten horen. Het kwam hem op elf jaar gevangenisstraf te staan, waarvan acht jaar in eenzame opsluiting. Uit die tijd dateert het verhaal van de blindedarmoperatie die hij zonder verdoving onderging, zodat hij niet door de artsen van het regime zou kunnen worden afgemaakt. Een jaar na zijn ontsnapping uit het fort van Peniche, in 1960, werd hij gekozen tot secretaris-generaal van de communistische partij. Dat hij tot op de dag van vandaag die functie bekleedt en met straffe hand over de partijdiscipline waakt, leidt regelmatig tot opstandjes en uitbraakpogingen. In de jaren tachtig weigerde Cunhal ook maar één centimeter toe te geven aan het Eurocommunisme, dat in de buurlanden opgang deed. Dissidenten zoals de militante feministe Zita Seabra werden volgens de beste stalinistische tradities en op vernederende wijze uit de partij gezet. In december vorig jaar moest een groep rond de invloedrijke vakbondsleider José Luis Judas (geen ongewone achternaam in Portugal) eraan geloven en twee maanden geleden verliet een aantal voormalige afgevaardigden de partij, nadat het centraal comité zijn tevredenheid over de coup tegen Gorbatsjov had uitgesproken.

Anders dan zijn Franse collega Marchais, die betoogt dat Frankrijk en de Sovjet-Unie nu eenmaal niet zijn te vergelijken, is Cunhal ronduit in zijn afwijzing van glasnost en perestrojka. Het enige verwijt dat hij zichzelf maakt, is dat hij niet eerder heeft begrepen dat het misging met de communisten in de USSR. Hij voorspelt chaos en contra-revolutie en rekent erop dat zijn aanhang in Portugal weer zal groeien zodra de huidige economische boom over is en de aansluiting bij de EG zijn tol eist in de vorm van faillissementen en werkloosheid. Tot zolang moet de partij haar apparaat intact houden en de rijen gesloten. Zelfs trouwe leden als de schrijver José Saramago, die een dialoog met de dissidenten bepleit, wordt op dit punt de mond gesnoerd.

Cunhal heeft in zoverre gelijk, dat de basis zich niet erg lijkt te bekommeren om de kritiek van intellectuelen. Voor het doorsnee-partijlid is Moskou inderdaad ver weg. Het traditionele zomerfeest van de PCP trok dit jaar aanzienlijk meer bezoekers dan voorgaande keren en vulden de kassen als vanouds tot de rand.

Ondanks een zware hartoperatie die Cunhal twee jaar geleden, deze keer wel verdoofd, in de Russische hoofdstad moest ondergaan, heeft hij zich in mei van het vorig jaar opnieuw tot partijvoorzitter laten benoemen. Maar omdat hij behalve hardnekkig ook realistisch is, werd bij die gelegenheid bovendien een troonopvolger aangesteld. In december mocht Carlos Carvalhas al de lijst aanvoeren bij de presidentsverkiezingen, de afgelopen weken deelde hij samen met Cunhal het podium als eerste kandidaat voor het parlement. Vriend en vijand zijn het erover eens dat de 48-jarige Europarlementariër, die uit een gegoede familie stamt en economie heeft gestudeerd, een bekwame en sympathieke indruk maakt. Maar bij de kiezers weet hij niet de emoties los te maken waartoe Cunhal nu eenmaal de sleutel bezit. Carvalhas zal straks niet alleen moeten strijden tegen de neergang van het communisme in de wereld en de neiging van de Portugese politiek om zich te ontwikkelen tot een tweepartijenstelsel, waarin centrum-links en centrum-rechts de dienst uitmaken en iedere stem op een andere groepering als verloren wordt beschouwd. Op een gegeven moment zal hij dat ook zonder Cunhal moeten doen.

Mét Alvaro Cunhal is de campagne van 1991 zwaar en moeilijk geweest. Hoe een campagne zonder hem er uitziet kan niemand zich nog voorstellen en weet ook niemand zich te herinneren.

    • H.M. van den Brink