Overheidsarchieven

In zijn bespreking van het boek Buitenlandse Zaken van Wim Klinkenberg (NRC Handelsblad, 1 oktober) concludeert redacteur Frits Groeneveld: “Je moet wel lef hebben om op grond van zo weinig zo veel te concluderen en te publiceren”. Tot zover akkoord, maar waarom is het zo verwonderlijk dat Klinkenberg "überhaupt toegang tot BZ-archieven heeft gekregen'? Overheidsarchieven behoren toegankelijk te zijn voor iedereen, ook voor klaarblijkelijke knoeiers als Wim Klinkenberg. De overheid heeft een publieke plicht ze te laten ordenen door mensen van het kaliber Lou de Jong. Als zulke archivarissen hun taak uitbreiden tot even meeslepende als gefundeerde geschiedschrijving, is dat mooi meegenomen. Eenmaal ontsloten moeten de stukken echter door iedere belangstellinde geraadpleegd kunnen worden. Tenslotte vormen ze publiek domein, niet het exclusieve privé-jachtveld van deskundigen. Het is al erg genoeg dat veel van die archieven "in 's lands belang' decennia lang gesloten blijven, zoals de notulen van de ministerraad.

Vreemd is Groenevelds verwondering dat Klinkenberg “niet aan de voorwaarde gebonden was zijn manuscript eerst aan hogerhand te laten lezen alvorens het te mogen publiceren”. Want wie is die geheimzinnige "hogerhand'? Ruud Lubbers? De bibliothecaris van BZ? Hans van den Broek, die er niet voor terugdeinsde om Vaclav Havel te censureren? Als dat journalistiek moet voorstellen, dan heb ik tien keer liever Wim Klinkenberg. Die zorgt tenminste nog voor "fantastische vertellingen' waar zelfs de strengste recensent plezier aan beleeft.

    • Joost Ramaer