Calvijn zet ons met beide benen op vertrouwde kleigrond

In de Internationale Spectator van mei 1991 schreef de oud-staatssecretaris van buitenlandse zaken, E.H. van der Beugel, een column onder de kop "Gevraagd: debat over Europa'. Gelet op de ingrijpende wijzigingen in de internationale wereld achtte hij het gewenst de traditionele uitgangspunten van de Nederlandse Europa-politiek opnieuw in beschouwing te nemen. In het bijzonder een tweetal axioma's zouden onderwerp van debat moeten zijn, namelijk enerzijds het dogma dat het Nederlands belang het beste wordt gediend door een zo communautair mogelijke oplossing en anderzijds de veronderstelling dat opheffing van het zogeheten democratisch deficit een bijdrage betekent aan de behartiging van Nederlandse belangen.

Na het wel zeer pijnlijke echec vorige week van het Nederlandse EG-voorzitterschap met de EPU-voorstellen heeft het verzoek van Van der Beugel nog meer relevantie dan in mei reeds het geval was. Van der Beugel was en is niet de enige die fundamenteel-kritische vragen heeft gesteld over het gangbare Europabeleid van de Nederlandse regering. De secretaris-generaal van het ministerie van economische zaken, Geelhoed en de hoogleraar Ter Kuile hebben bij meer dan één gelegenheid hun scepsis geuit over de staatsrechtelijke merites van het federatieve proces, oud-ambassadeur Mourik kritiseert met niet aflatende ijver het onderontwikkelde culturele zelfrespect van ons land en recentelijk bepleitte VVD-fractievoorzitter Bolkestein het opgeven van de illusie van een Europese federatie.

Als er iets van deze kritiek met effect zou zijn doorgedrongen tot de bewindslieden van buitenlandse zaken en tot de overgrote meerderheid van de Tweede Kamer, dan zou de ontredderde staat waarin ons Europa-beleid thans verkeert wellicht zijn voorkomen. In het achter ons liggende jaar is de ambtelijke en politieke top van Buitenlandse Zaken, parlementair nog eens extra aangevuurd door de Europa-woordvoerders van alle grotere fracties in de Tweede Kamer, evenwel geen millimeter afgeweken van de federale koers. Nederland is tot veel pragmatisme bereid “mits het uiteindelijk perspectief van een federaal Europa maar geen geweld wordt aangedaan”, schreven de bewindslieden van buitenlandse zaken in een notitie over de EPU op 26 oktober van het vorig jaar. Inmiddels weet men dat utopisch denken in de praktische uitwerking hardhandig kan worden afgestraft.

Boekestijn weet het debâcle ook aan het feit dat in Den Haag “het kromme vingertje van Calvijn en de geest van Hugo Grotius” nog steeds rondwaren (NRC Handelsblad van 3 oktober). Calvijn, staande in een politieke traditie vanaf Augustinus, had immers een afkeer van concentraties van politieke macht. In de krachtige polemische taal van zijn tijd wees hij erop dat “bijna alle grote rijken” zich gedragen als “grote roversbenden”. Hij bepleitte dan ook het versterken van het pluralisme in het Europa van zijn tijd.

In wat meer parlementaire bewoordingen nemen wij dit politiek-staatkundig pleidooi ook voor onze tijd nog altijd met overtuiging voor onze rekening. Een heroriëntatie van het Nederlandse buitenlandse beleid, geïnspireerd in genoemde calvinistische zin, kan ons politiek weer met beide benen op onze vertrouwde kleigrond brengen. Inhoudelijk zou zulks betekenen: een streven naar een confederale samenwerking in Europa, een daarmee gepaard gaande uitbreiding van de EG met Scandinavische en Oosteuropese landen, afwijzing van het met wetgevende bevoegdheden optuigen van het Europese Parlement, verdere versterking van de nationaal-parlementaire controle op het Europese beleid, handhaving van de thans bestaande "losse' samenwerking in het buitenlands beleid in de EPS en het terugdringen van de dominantie van het economische motief in de Europese verdragen.

Een dergelijke heroriëntatie houdt veel meer dan het gangbare Nederlandse beleid rekening met de actuele stand van zaken in Europa. De wijze van opereren van Europa tijdens de Golfcrisis, de staatsgreep in de Sovjet-Unie en de erkenning van de Baltische Staten, in de aanpak van de nationaliteitenoorlog in Joegoslavië enzovoorts, laten zien dat in het bijzonder de grotere Europese landen zich niet Europees laten leiden, maar hun plaats in de wereld allereerst interpreteren in nationaal-politieke en historische categorieën. Men mag dat betreuren, maar er geen rekening mee houden is onverstandig. Zou men op buitenlandse zaken in ernst hebben gedacht politici als Genscher, Hurd en Dumas te kunnen manoeuvreren in de vanuit Brussel voorgetekende uniforme pas van een Europees buitenlands en veiligheidsbeleid? Dat zou alleen realistisch zijn geweest als er zoiets zou bestaan als een, de individuele naties overstijgende, European dream en een vanzelfsprekende consensus over de plaats van Europa in de wereld.

Iets dergelijks is echter volstrekt onvoldoende aanwezig: een Europese identiteit wordt hooguit beleefd in Brussel en Straatsburg en bij een kleine technocratische bovenlaag, het Europese Parlement mist het karakter van een echte volksvertegenwoordiging en de burgers in Europa zijn politiek loyaal aan de nationale politiek en ervaren het communautaire recht vaak als "vreemd recht'. Wie desondanks toch op federale wijze wil integreren, die forceert en levert een bijdrage aan de politieke vervreemding van een steeds groter wordende groep burgers.

De volkenrechtelijke soevereiniteit van ons land, verworven in 1648 na een lange en moeizame worsteling, is in de periode na de Tweede Wereldoorlog in hoge mate gebonden geraakt aan het supranationale recht en beleid van de EG. In veel gevallen was dat naar onze mening noodzakelijk en verantwoord. Thans is evenwel een grens bereikt. Te vaak wordt de nationale wetgever geconfronteerd met de voldongen feiten van Brusselse richtlijnen, die tot stand kwamen zonder veel inhoudelijke discussie tussen de politiek verantwoordelijken op het nationale vlak.

Het door het economische welvaartsmotieven aangedreven vliegwiel van de Europese integratie raakt nu ook aan zaken die vitaal zijn voor de toekomstige inrichting van onze samenleving en waarover de nationale wetgever zou behoren te beslissen: het sociale beleid, volksgezondheidsbeleid, onderwijs en cultuur enzovoorts. Om één voorbeeld te noemen: ondanks bezwaren in de Kamer en van de adviesraden en geraadpleegde deskundigen streeft onderwijsminister Ritzen nog altijd naar een onderwijsparagraaf in het nieuwe EPU-verdrag, als gevolg waarvan het onzeker kan worden of de nationale wetgever garant kan blijven staan voor de financiële gelijkstellingen van het openbaar en het bijzonder onderwijs. Het zou van nationaal zelfrespect getuigen als regering en parlement aan een dergelijke heilloze ontwikkeling een principieel halt zouden toeroepen. Of dat onder leiding van de huidige bewindslieden van buitenlandse zaken kan mag worden betwijfeld, maar is een zaak van secundaire orde.

    • G.J. Schutte
    • E. van Middelkoop
    • Voorzitter van de Tweede Kamerfractie van het Gpv