Wandelstokker

Heel wat tijd heb ik doorgebracht, de laatste weken, knielend als een boeteling bij het cyclamenbed - een weidse naam voor een rechthoek van steriele aarde onder de beuk - zoekend naar tekenen dat de Cyclamen hederifolium die ik daar vorig jaar heb geplant de winter had overleefd. Met de vooruitziende blik van de professionele tuinier had ik de locatie van elke plant gemerkt met een stokje. En uiteraard waren die stokjes verdwenen. De hele topografie van die plek was trouwens een beetje veranderd, want de maartse viooltjes die daar wat vegeteerden waren ongemerkt in opmars gekomen.

Net als wandelende takken kunnen de nieuwe loten van een cyclamen vlak onder je neus zitten zonder dat je ze opmerkt. Ze komen horizontaal uit de grond, alsof ze eerst wilden zien of de kust vrij was; ook hebben ze een schutkleur waardoor je ze haast niet kunt onderscheiden van wat er om hen heen op de grond ligt, vooral van wat ik voor het gemak maar zal aanduiden als het kaf van de beuk: de kleine, glanzende, biologisch niet afbreekbare schutblaadjes die in het voorjaar uit de beuk vallen en er bijna precies zo uitzien als die eerste manifestaties van de cyclamen. Toen ik tenslotte triomfantelijk twee kleine loten kon aanwijzen, oogstte ik alleen maar een stroom wrede grappen over vergrootglazen en de positie waarin je moest gaan liggen om ze te zien.

Eindelijk begon er een te bloeien; het was een witte en hij kwam midden in een opdringerige bos maartse viooltjes naar boven. Bij nadere inspectie bleek het de enige te zijn waar nog een stokje bij stond. Toen ik hem trots aan bezoekende kennissen liet zien, brachten zij onder mijn aandacht dat ik bezig was een andere te vertrappen, die iedereen gezien had behalve ik. Volgend jaar laat ik de natuur gewoon onbespied haar gang gaan tot er bloemen zichtbaar zijn; intussen heeft de plant waar ik boven op was gaan staan nu meer bloemen dan enige andere.

Het aanleggen van een bamboebos langs het pad naar de fietsenschuur was misschien niet zo'n goed idee als het aanvankelijk leek. In de zomer zaten we vaak op het terras te bewonderen hoe deze bamboe (waarvan de naam Arundinaria murielae nu voor het gemak is veranderd in Thamnocalamus spathaceus) vol gratie opgroeide en hoe onnavolgbaar zij haar gevlekte schaduw projecteerde op het hout van de schutting. Maar nu is het beeld veranderd: als ik er 's morgens vroeg langs moet met de fiets heeft het iets van het bekende grapje met de emmer water op de deur: zo'n bos bevat liters water, ook nog lang nadat het geregend heeft. Er zit niet anders op dan met de fiets in een wijde boog over het grasveld te gaan, maar voor het gras, dat er al niet al te florissant bijstaat, is dat de coup de grâce.

Toen ik een week of twee geleden in een kwekerij naar clematissen zocht was ik verbaasd te zien hoeveel er daar in bloei stonden. Oktober is de beste maand om clematis te planten en het is een onverwachte bonus om te kunnen zien wat je krijgt. Hoewel met een zeker voorbehoud: wat je ziet is vermoedelijk wat je volgend jaar oktober krijgt. Ik heb namelijk een natuurwet ontdekt waarover ik nooit ergens heb gelezen: de wet van de afnemende disproportie. Mijn blauwe clematis "Mrs Cholmondeley' brengt op het ogenblik bloemen voort die ongeveer drie generaties afliggen van degene waarmee zij deze zomer van start ging. En deze derde generatie is een stuk kleiner en dieper van kleur dan de eerste. Ze zijn opvallend veel mooier, de eerste waren te groot en te bleek.

Iets dergelijks blijkt ook op te gaan voor rozen: David Austins "Wife of Bath' begon met kolossale bloemen die veel te zwaar waren voor de stengels; elke bloem bestond ook uit zo'n opeengepakte massa bloemblaadjes dat ze iedere pretentie van gratie verloren. Het ene ogenblik was er een verrukkelijke knop en de volgende ochtend hing er een bloem ter grootte van een soepkom, bezwijkend onder zijn eigen gewicht. Maar bij de latere bloei, ongetelde generaties later (gisteren ontdekte ik nog weer een nieuwe knop), waren de bloemen veel beter van proportie, kleiner en met minder bloemblaadjes.

Als straf voor onze chemische oorlogvoering tegen de slakkenplaag van dit jaar hebben we nu een tamme slak in huis. Deze werd voor dood opgeraapt en weggegooid; vervolgens werd hij ontdekt terwijl hij vertwijfeld probeerde uit de vuilniszak te kruipen. Wat te doen? Het paradoxale is dat je ze zonder wroeging bij dozijnen uitroeit, maar om een afzonderlijk individu in koelen bloede te vermoorden, dat is een heel andere opgave. Het beproefde dier werd liefderijk ondergebracht in een glazen bak bedekt met plasticfolie waarin gaatjes waren geprikt, precies zoals door het slakken-, rupsen- en torrenboek van mijn dochtertje werd aanbevolen.

Daarna moest zij (mijn dochter kon in een oogopslag zien dat het een zij was) nog een naam hebben. Hoe zullen we haar noemen?

Het antwoord volgde onmiddellijk: Wandelstokker.

En waar houden Wandelstokkers van? Keuze genoeg: hosta, vingerhoedskruid, tabaksplant, cobaea, noem maar op. Het was een eigenaardige ervaring de tuin nu eens met het oog van een slak te bekijken; ook was het interessant om vast te kunnen stellen waar een slak het eerst op aanvalt als hem of haar een verscheidenheid van bladeren wordt geboden (antwoord: hosta). Als huisdier is er niet veel eer aan te behalen, maar ze leeft nog.

Waar kan je een vruchtenplukker krijgen? Veel dank aan de lezers die het mij hebben onthuld. Meteen er op af en een gekocht, maar te gierig om ook te investeren in de lange stok die er bij hoort; we redden het immers ook wel met een oude gordijnroede.

Welnu, die bleek te kort. Keukentrap erbij. Al bij de allereerste poging een peer te plukken, die zowat zeven meter boven de grond hing, ontstonden er complicaties: het zakje, dat keurig een enorme peer omhulde, raakte los van de stok en bleef hardnekkig in de boom hangen. Sommige mensen blijven volstrekt onbewogen wanneer zij op een trapleer met een zware gordijnroede in een pereboom staan te vissen; ten slotte besloten we maar om die zak even te laten hangen tot we gekalmeerd zouden zijn. Het zag er intrigerend uit, als een omgekeerde parachute.

De volgende dag gingen we verder en slaagden er zowaar in om de zak weer aan de gordijnstok te rijgen. Er ging een triomfgeroep op toen het instrument uit de boom naar beneden kwam; de peer schommelde nog even na, toen kwam hij ook en spatte voor onze voeten uit elkaar.