Schandaal

De studie van politieke en economische aangelegenheden in Japan zou kunnen worden verrijkt met een subcategorie voor schandalen. Niet omdat Japanners meer of sappiger schandalen voortbrengen dan andere volken. Maar een systematische analyse van de Japanse schandalen is nodig omdat zij een belangrijke bijdrage leveren aan het goed functioneren van het Japanse machtssysteem. Ook het nu lopende schandaal van de effectenmakelaars is hier een goed voorbeeld van.

De belangrijkste functie van het Japanse schandaal is het voorkómen van excessen, excessen in elke vorm van gedrag dat gewoonlijk als normaal wordt bechouwd. Zo is het in Japan normaal dat bedrijven politici astronomische bedragen verschaffen die zij uitgeven om herkozen te worden. Maar er zijn grenzen aan wat normaal is. Het is geen goede zaak als een politicus tien maal meer krijgt dan nodig is om te worden herkozen, zoals het geen goede zaak is als één enkel bedrijf iedere bekende politicus financieel steunt. In beide gevallen wordt de manier van doen bedreigd. Door deze dreiging kan de manier van doen die heerst binnen het Systeem worden verstoord.

Het belangrijkste kenmerk van het Systeem is dat het ”buiten-wettig' is; het staat buiten het kader van wat wettelijk is toegestaan en verboden. Gedrag binnen de context van het Systeem is soms onwettig en soms niet. Het gehoorzaamt wel degelijk aan bepaalde regels. Maar het gaat hier om informele regels; het zijn, om een in Europese talen gangbare terminologie te gebruiken, ”ongeschreven regels'. Het Systeem wordt niet beheerst door grondregels waarop iedereen een beroep kan doen. De regels zijn niet gemaakt om burgers te beschermen, ze zijn er voor een minderheid: de politieke elite. Degenen die de manier van doen bepalen, kunnen we ”de leden van het Systeem' noemen. Het zijn de actiefste mensen uit de politieke elite.

Nuttig

Japanse schandalen zijn buitengewoon nuttig, zo niet onmisbaar voor het voorkómen van destructieve excessen. De reden daarvan is gemakkelijk in te zien. Elk systeem, of het nu informeel of volkomen wettig, doorzichtig of ondoorzichtig is, moet een of ander mechanisme hebben om zijn leden in het gareel te houden. In een door wetten gereguleerd systeem moet een controlerende instantie van buiten erop toezien dat de wetten worden gehoorzaamd. In een door de manier van doen geregeld systeem ontbreekt een dergelijke controle, waardoor zich soms het risico voordoet dat de ontwikkelingen uit de hand lopen. Omdat het Systeem niet door wetten wordt geregeld, kunnen gemakkelijk excessen ontstaan. Een voor sommige leden van het Systeem voordelige tendens in de manier van doen is moeilijk te veranderen zolang er voor de andere leden geen grote nadelen uit voorvloeien. In een informeel politiek systeem met ongeschreven regels moeten schandalen althans tot op zekere hoogte de rol spelen die in een door wetten beheerst systeem wordt vervuld door de rechtspraak en controlerende instanties.

Doordat de Japanse schandalen destructieve excessen voorkómen, kan het Systeem blijven bestaan. Dit is het grootste verschil tussen schandalen in Japan en die in de Verenigde Staten en Europa; die laatste leiden meestal tot een zuivering, een herziening van de praktijken, zodat de voorwaarden voor het onwettige of onoirbare gedrag worden weggenomen. Overal ter wereld ontstaan onder politieke elites ”knusse', buitenwettige verhoudingen en praktijken. Schandalen maken daar in Europa of de Verenigde Staten een eind aan. In Japan zijn ze een waarborg voor het voortbestaan van dergelijke informele betrekkingen.

Japanse schandalen beschermen niet alleen het Systeem door het gevaar van excessen af te wenden, ze werken ook in het voordeel van machtige organisaties binnen het Systeem. Bij een schandaal in Japan grijpen diverse machtsgroepen de kans om hun doelstellingen te realiseren. In ”schandaalperiodes” is alles in beroering; veel doelstellingen zijn onder meer statische omstandigheden niet te verwezenlijken.

Uit Japanse schandalen blijkt ook dat de leden van het Systeem ontwikkelingen misschien niet altijd kunnen beheersen, maar dat ze in het algemeen wel degelijk kunnen toesturen op een gewenst resultaat. (Mijns inziens geldt hetzelfde voor de Japanse economie: de bureaucratische leiding concentreert zich op resultaten; men probeert zelden de details voor te schrijven - zoals gebruikelijk was in het economische model van de Sovjet-Unie). Japanse schandalen worden in hoge mate gestuurd, maar er kunnen zich nog aardig wat onverwachte ontwikkelingen voordoen, die ook onaangenaam zijn voor sommigen van degenen die het schandaal sturen. Een schandaal kan voor belangrijke leden van de elite zorgwekkend en pijnlijk zijn.

Soms ontstaat de indruk dat men een schandaal niet meer in de hand heeft. Die situatie vergelijk ik altijd met een tuinslang. Als je de kraan opendraait voordat je het uiteinde vast hebt, kronkelt de slang alle kanten op, zodat niets vermoedende buitenstaanders plotseling nat kunnen worden. Het Recruit-schandaal was hiervan een goed voorbeeld. Terwijl verscheidene groepen, zoals de Keidanren (de organisatie van het grote-zakenleven), het ministerie van posterijen en telecommunicatie, de vijanden van premier Nakasone en ook premier Takeshita het voor eigen doeleinden gebruikten, liep het tijdelijk uit de hand en werd Takeshita gedwongen af te treden (voornamelijk omdat hij bij de herschikking van zijn kabinet de verkeerde persoon aanstelde als minister van justitie).

Compensaties

Het schandaal van de effectenmakelaars begon toen bij de belastingafdeling van het ministerie van financiën een nieuwe topfunctionaris aantrad die besloot dat de effectenhandelaars de inmiddels beruchte compensaties niet van de belasting mochten aftrekken, zoals ze met hun representatiekosten mogen doen. De volgende fase is nogal vaag, maar toen het schandaal eenmaal goed op gang was gekomen, werd overduidelijk dat hier een buitenkans was geschapen voor doelstellingen van de ambtenaren van het ministerie van financiën. Tot dusverre heeft het schandaal in hun voordeel gewerkt. Twee elementen zijn teruggebracht tot wat in hun ogen ”de juiste proporties' zijn. Het ene is Nomura en het andere hun eigen effectenafdeling.

Nomura is uniek in de wereld. Het is ongeveer vijfentwintig maal zo groot als het grootste effectenhuis in de Verenigde Staten. Deze sector van de Japanse financiële wereld wordt de facto beheerst door een kartel van vier grote effectenhuizen. Alle kleinere zijn als het ware onderaannemers die werken onder de bescherming van en in overeenstemming met de ongeschreven regels van het kartel. De onbetwiste leider van dit hele apparaat is Nomura. Ook de drie overige grote firma's zijn machtig, maar in belangrijke zaken richten ze zich naar Nomura. Dit is een uitstekend voorbeeld van een aan monopolie grenzende oligarchische macht, maar met één belangrijke beperking: het hele samenspel kan alleen functioneren met de zegen van het ministerie van financiën.

De ongelooflijk snelle ontwikkeling van het belang van de Japanse financiële instellingen in de jaren tachtig en de enorme opwaardering van materiële activa (onroerend goed en effecten) veroorzaakten een ingrijpende herverdeling van de macht in de Japanse zakenwereld, waardoor bijvoorbeeld Keidanren en de banken minder belangrijk werden in verhouding tot de effectenhuizen, de bouwbedrijven en de makelaars in onroerend goed. Zoals altijd bij een dramatische machtsverschuiving kregen de leden van het Systeem het onbehaaglijke gevoel dat de normale gang van zaken was verstoord, waardoor althans enige correctie noodzakelijk leek. In de jaren tachtig kregen de effectenhuizen een invloed en aanzien die ze nooit eerder hadden gehad. En redelijkerwijs viel te verwachten dat ze binnen niet al te lange tijd zouden worden gedwongen hun vurige gedrevenheid te matigen, hun arrogantie in te tomen en vooral te worden herinnerd aan de ”juiste' verhoudingen binnen het Japanse Systeem. Dat is nu gebeurd en voor de leider van het kartel, Nomura, is dat natuurlijk een uiterst onaangename ervaring geweest.

Gedwongen correcties

Naar het schijnt hadden de ambtenaren van het ministerie van financiën ook besloten dat het tijd werd de effectenafdeling in hun eigen organisatie te breidelen. In vergelijking met de afdelingen van belastingen, bankzaken en de begroting was deze afdeling altijd relatief onbelangrijk geweest, totdat ze in de jaren tachtig de nieuwe status van de effectenhandel begon te weerspiegelen. Het oude evenwicht binnen het ministerie van financiën kan nu althans tot op zekere hoogte worden hersteld.

Maar deze gedwongen correcties van de componenten in het Japanse machtssysteem waren niet eens de belangrijkste doelstellingen van het ministerie van financiën. Er is nòg iets gebeurd dat van cruciaal belang is geweest voor de hele Japanse economie. Hoewel de effectenmakelaars het grootste slachtoffer van het huidige schandaal lijken, hebben ze er vreemd genoeg ook het meeste voordeel van. De recente gebeurtenissen kunnen worden geïnterpreteerd als één grote reddingsoperatie voor het kartel van de effectenhuizen. En deze is weer te zien als onderdeel van een nog grotere operatie, die al meer dan anderhalf jaar aan de gang is: de inperking van de zogenoemde ”zeepbel-economie'.

Ik geloof niet dat er ooit een echte zeepbel-economie heeft bestaan. Er is altijd voldoende controle geweest - informele controle - om te verhinderen dat de bijna absurde, maar beheerste inflatie van materiële activa in de tweede helft van de jaren tachtig de zeepbel zou doen ”uiteenspatten'. Niettemin veroorzaakte de buitensporige groei van de nominale waarde van onroerend goed en van aandelen in Japan gevallen van ernstige scheefgroei in de economie. En het zorgelijkst voor het ministerie van financiën was dat daardoor tamelijk sterke en opportunistische ”zeepbel-maatschappijen' ontstonden, die geen deel uitmaakten van de informele netwerken waartoe leden van het Systeem behoren.

Het dramatisch kelderen van de effectenmarkt anderhalf jaar geleden (met 40 procent) is misschien niet begonnen door het ministerie van financiën, maar toen de neergang eenmaal inzette, werd die er wel door gecontroleerd en gestuurd. Zo bereikte het ministerie zijn doel om de excessen van de ”zeepbel-economie' te beteugelen en orde te scheppen in de verschillende elementen van het financiële systeem. Het kon door deze neergang zelfs zijn beleidsterritorium uitbreiden tot nieuwe elementen zoals niet-bancaire financiële instellingen.

Maar doordat de koersen kelderden, ontstonden grote verliezen bij bedrijven die het spel altijd hadden meegespeeld volgens de door de bureaucraten goedgekeurde, ongeschreven regels. En uit Japans ”wonderbaarlijke' financiële systeem bezien, was compensatie voor de verliezen volkomen terecht. De bedragen die de grote investeerders verwachtten, waren evenwel hoger dan ooit. Zo hoog dat de effectenhuizen in ernstige moeilijkheden zouden zijn gekomen als ze waren doorgegaan met betalen. En dan zou de Tokiose beurs nog verder zijn ingezakt.

Recapitulerend kunnen we stellen dat de recente dreiging voor de manier van doen bestond uit de buitensporig hoge bedragen en het buitensporige gewicht van de effectenhandel. Aan beide is nu iets gedaan.

Recruit

Ook bij de dreigende excessen in het Recruit-schandaal ging het om grote sommen gelds, en daarnaast om de uitgebreide toepassing van nieuwe en minder controleerbare methoden voor bescherming van eigenbelang en beïnvloeding van bureaucratische besluitvorming. Ook in het geval van de schandalen waarbij premier Tanaka Kakuei was betrokken (zijn manier van geldverdienen en ”Lockheed'), bestonden de excessen uit het systematisch aanwenden van grote geldsommen. Overigens deden Tanaka Kakuei en Recruit-topman Ezoe Hiromasa hetzelfde wat anderen deden en nog steeds doen. Hun zonde was dat ze het handiger aanpakten dan andere leden van het Systeem. Ze wisten veel beter te profiteren van de mogelijkheden binnen het Systeem om vooruit te komen. Ze waren geniaal, en de leden van het Systeem zijn bang voor dergelijke genieën, omdat ze de manier van doen gaan bepalen, waardoor het onderlinge evenwicht in gevaar komt.

Voor hen die weten hoe het Japanse financiële systeem functioneert, was het geen verrassing dat Nomura en de andere huizen regelmatig compensaties betaalden. Het was ook amper een verrassing voor degene die weet hoe Japan wordt bestuurd. De effectenhuizen deden wat van hen werd verwacht. Net zoals, in het Recruit-schandaal, de andere slachtoffers, de baas van de posterijen Shinto Hisashi en minister van financiën Myazawa Kiichi, ook precies deden wat van hen werd verwacht. Al deze organisaties en personen handelden in overeenstemming met de manier van doen.

De effectenhuizen bleven niet alleen ruimschoots binnen de conventies van het Systeem, ze bevorderden zelfs een soepel functioneren ervan. Met hun hulp werden de voorwaarden geschapen waaronder grote bedrijven konden worden ingeschakeld bij een grootschalige actie om een hoge inflatie van de Japanse effecten- en onroerend-goedmarkt mogelijk te maken en te controleren, waardoor de produktiecapaciteit van Japan sterk kon worden uitgebreid. Ze speelden een cruciale rol toen de kapitaalkosten voor de grote bedrijven tot bijna niets werden teruggebracht. Zo konden deze bedrijven de investeringen doen die nodig waren om, ondanks de hoge waarde van de yen sinds het midden van de jaren tachtig, concurrerend te blijven.

Delicaat

De belangrijkste vraag is dan ook waarom er sprake is van een schandaal. Waar gaat het eigenlijk om?

Net als bij het Recruit-schandaal is er nauwelijks iets onwettigs gebeurd. Het ministerie van financiën heeft bevestigd dat compensatie alleen onwettig is als deze bij voorbaat is beloofd. En al werd compensatie als vanzelfsprekend verwacht, iedereen kan gerust zeggen dat er nooit een belofte is gedaan. Juridisch is er weinig tegen in te brengen.

Maar na jaren te hebben ingestemd met de betaling van vergoedingen, heeft het ministerie van financiën nu besloten dat wat de effectenhandel deed onoirbaar was. Volgens welke normen? Hebben de effectenhuizen in belangrijke mate Japanse maatschappelijke conventies geschonden? Deze vraag brengt ons op een delicaat en uiterst interessant punt. Want het antwoord is tegelijkertijd ”ja' en ”nee'. Ja, in de zin dat vele gewone Japanners denken dat het verkeerd en onrechtvaardig is wanneer alleen grote investeerders garanties krijgen in een markt waarin ook het publiek deelneemt. Maar nee, als we de handelwijze van de effectenhuizen afmeten naar de conventies van de wereld waarin ze opereren. Hun handelwijze was per slot van rekening conform de manier van doen.

Het is duidelijk dat de Japanse politieke elite en de gewone Japanners verschillende maatstaven hanteren bij de vraag wat gepast en wat ongepast gedrag is. De gewone burger heeft een vrij goed beeld van zijn eigen maatstaven, maar weet weinig af van die van de elite die het Japanse Systeem in stand houdt. En de leden van het Systeem zijn verre van eerlijk over hùn criteria wanneer ze hun opvattingen aan het publiek uiteenzetten.

Gewone Japanners hebben slechts een vaag vermoeden van de wijze waarop hun land in feite wordt bestuurd. Deze discrepantie in kennis is een essentieel kenmerk van het Japanse politieke systeem en van de Japanse samenleving in het algemeen.

Het gaat om een traditionele kloof. In de Tokugawa-tijd in voorbije eeuwen was de leus: ”Mensen moeten niet op de hoogte worden gebracht, maar wel afhankelijk worden gemaakt van het regeringsgezag.' En nog steeds zijn er twee klassen van Japanners: een kleine minderheid van ”ingewijden' en de grote massa van politieke leken, van mensen die misschien wel vermoeden dat er een honne (werkelijkheid) schuilgaat achter menige tatemae (façade), maar het fijne er niet van weten.

De pers

Als ik in de verschillende Japanse schandalen die ik heb bestudeerd de grootste boosdoener zou moeten aanwijzen, zou ik de pers kiezen. Dat lijkt misschien vreemd, want de Japanse pers ontvangt doorgaans veel applaus voor de onthullingen die ze in schandaalperiodes doet, maar die lof is onverdiend. Japanse kranten bestendigen juist de kloof tussen de minderheid van ”ingewijden' en de meerderheid van politieke leken. Ze analyseren de manier van doen nooit systematisch en serieus. Ze vertellen het Japanse publiek niet wat het zou moeten weten over de manier waarop het land wordt bestuurd. Ze zouden kunnen schrijven dat het inderdaad onoirbaar lijkt dat de effectenhuizen 36 miljard yen hebben geleend aan een gangsterbaas, maar dat ook grote bedrijven, politici en de politie regelmatig zaken doen met de onderwereld. Dat schrijven ze niet. Ze zouden kunnen opmerken dat bescherming van grote investeerders ten koste van kleine inderdaad discriminerend is, maar dat het Japanse financiële systeem van oudsher de kleine spaarder en geldlener discrimineert. Japanners hebben altijd al weinig rente gekregen op hun spaargeld - lange tijd zelfs minder dan de inflatie bedroeg - waarna dat geld onmiddellijk aan de grote industrieën ter beschikking werd gesteld. En het consumptief krediet staat nog steeds in de kinderschoenen. Dit alles was nodig voor de totstandkoming van het ”economische wonder'.

De pers slaat af en toe een kritische toon aan, maar die toon is vals. Redacteuren en journalisten helpen de bureaucraten bij wat ik het ”beheren van de werkelijkheid' noem. De werkelijkheid is in het algemeen iets ongrijpbaars in Japan, want er zijn te weinig intellectuelen en journalisten die de feiten consequent scheiden van handige en politiek opportune fictie. Ook bij het huidige schandaal in de effectenhandel laten de kranten na op tegenstrijdigheden te wijzen.

Zonder de pers zouden er geen Japanse schandalen zijn. Maar de schandalen helpen op hun beurt indirect ook de Japanse pers in het gareel te houden. Grote schandalen veroorzaken doorgaans een storm in de mediawereld. In zo'n periode lijkt er bijna geen ander nieuws te bestaan. Een schandaal is een prachtige gelegenheid om stoom af te blazen: de media kunnen uiterst verontwaardigd doen en journalisten en redacteuren, opgewonden van geveinsde verontwaardiging, krijgen het gevoel dat ze hun plicht doen en de Japanse samenleving beschermen door wanpraktijken aan de kaak te stellen. Ze beschermen echter slechts het Systeem, waarvan ze vanzelfsprekend zelf deel uitmaken.

De pers helpt nu het ministerie van financiën zijn doel te bereiken door de fictie van publieke verontwaardiging in stand te houden. Zonder het beeld van een verontwaardigd publiek heeft men natuurlijk ook geen schandaal. Dat is een van de subtielste vormen van de manipulatie van ”leken' in het Japanse politieke systeem. Evenmin als de bureaucraten zijn journalisten in Japan gewend na te denken over of te reageren op de publieke opinie. Ze kneden de publieke opinie door de krantelezer steeds weer voor te houden wat die volgens hen denkt of behoort te denken. Waarna de lezer begint te geloven dat dit zijn mening zou moeten zijn.

Gezond cynisme

Het tegenwoordige Japanse publiek is veel minder naïef dan in de Tokugawa- of de Meiji-periode. Japanners die hun verstand gebruiken weten, zo is mijn ervaring, vrij goed hoe in hun directe omgeving macht wordt uitgeoefend. Ze tonen een gezonde scepsis tegenover het doen en laten van de autoriteiten in de centrale overheid en de zakenwereld. Maar het publiek is veel te verstandig om verontwaardigd te zijn. Daar Japanners hun eigen regering niet kunnen laten vallen, het Systeem niet kunnen veranderen en zich slechts kunnen uiten door met een paar honderd gelijkgestemden de straat op te gaan, weten de meeste intelligente mensen dat hun politieke denken geen enkel gewicht in de schaal legt.

Het is onzedelijk de Japanse schandalen af te schilderen als een bewijs van het ”functioneren van de Japanse democratie' en het getuigt van minachting voor de waardigheid van de individuele Japanner. Schandalen voorkómen juist de verwezenlijking van een democratie, want ze beschermen en versterken het door de gang van zaken beheerste systeem van informele betrekkingen waar het publiek geen enkele invloed op heeft. Wie de schijn wekt dat het huidige schandaal in de effectenhandel de wijze van zakendoen in Japan zal veranderen, is oneerlijk of naïef. Wie meent dat het schandaal Japan dichter bij een werkelijk wettige in plaats van een informele bureaucratische controle zal brengen, heeft geen historisch besef.

Er wordt gesproken over nieuwe wetgeving en er is voorgesteld een effecten- en deviezencommissie naar het voorbeeld van de Amerikaanse SEC (Securities and Exchange Commission) in te stellen. Maar wat moeten we ons hierbij voorstellen? Nieuwe of geamendeerde wetten zullen geheel in handen zijn van de ambtenaren van het ministerie van financiën. En zij zijn aan niemand verantwoording verschuldigd, ze kunnen naar eigen goeddunken de wet uitvoeren of niet. Deze handelingsvrijheid van ambtenaren is cruciaal voor het voortbestaan van het Japanse Systeem. Wat een Japanse SEC betreft, als deze al wordt ingesteld, zouden voormalige bureaucraten uit het ministerie van financiën er zitting in hebben en er de dienst uitmaken; ze zullen weer uitstekende relaties onderhouden met het kartel van de effectenbranche.

Een groeiend aantal serieuze waarnemers, in Japan en elders, gelooft dat het ware bestuurscentrum van Japan, als het ware de cockpit van de staat, het ministerie van financiën is. Daar ben ik het niet mee eens, want ik geloof niet dat een dergelijke cockpit bestaat. Het huidige schandaal bewijst echter eens te meer hoe machtig het ministerie van financiën is. En al is het ministerie van financiën geen centrum van politieke verantwoordelijkheid, ik geloof dat het in de praktijk de machtigste is van de groeperingen die in Japan de macht delen. Daarom zou het veel beter bestudeerd moeten worden.

Het Japanse ministerie van financiën is in vele opzichten een goed en competent ministerie. Het is in elk geval heel goed in de bevordering van het feitelijke beleid van ongelimiteerde economische expansie. Maar het vertegenwoordigt het Japanse volk niet. Welke nieuwe regels en wetten het nu ook zal invoeren, ze zullen geen van alle bedoeld zijn om de meerderheid te beschermen tegen handelwijzen die de gevestigde belangen van een minderheid uit de zakenwereld dienen.

Politieke discussie

Er is dringend behoefte aan uitbreiding van de klasse van ”ingewijden'. Als tot deze klasse grote aantallen serieuze en bezorgde burgers zouden behoren die geen deel uitmaken van het Systeem, zou Japan de intelligente, algemene politieke discussie krijgen die het zo hard nodig heeft. Als onderdeel van die discussie zou een systematische bestudering van Japanse schandalen inzicht geven in de relaties tussen de verschillende groeperingen die de macht delen.

Een grondige analyse van de Japanse schandalen heeft nog een ander, subtieler voordeel. Als de resultaten van een degelijke analyse bekend zouden zijn onder het Japanse volk, zouden de schandalen misschien niet langer dienen om de structuur van informele betrekkingen en transacties te beschermen. Dan zou de Japanse democratie misschien een kans hebben.

Dit artikel verscheen eerder in de september-editie van het Japanse maandblad Chuo Koron.

Na ”Recruit' de effectenhuizen

De laatste financiële schandalen in Japan betreffen de vergoedingen die vrijwel alle effectenhuizen aan klanten hebben gegeven voor verliezen op de beurs. Op zichzelf is dat niet onwettig, wel het beloven van zulke vergoedingen. De effectenhuizen ontkennen zulke beloftes ooit te hebben gedaan. Wat tot grote verontwaardiging heeft geleid is dat, toen de beurskoersen begin vorig jaar aan hun koersval begonnen, concerns met grote namen, zoals Toyota en Matsushita, zich de miljardencompensaties hebben laten welgevallen, terwijl de kleine spaarder achter het net viste en geen cent kreeg. 's Werelds grootste effectenhuis, Nomura, werd bovendien beschuldigd van koersopdrijving ten gunste van Japans op een na grootste misdaatsyndicaat.

Enkele van Japans grote banken, tevens de grootste ter wereld, kwamen vervolgens in opspraak toen bleek dat ze klanten valse deposito's verschaften waarmee deze klanten bij derden geld konden lenen. Bankpresidenten en presidenten van effectenhuizen moesten aftreden.

Tot de slachtoffers behoort minister van financiën Hashimoto die half oktober zijn functie zal neerleggen. Overigens betekent aftreden in Japan niet dat de betrokkene ook schuld bekent. In dit geval heeft Hashimoto op geen enkele manier het beleid dat in opspraak is gekomen, beïnvloed. De carrière van een vooraanstaande politieke figuur is hiermee vertraagd als symbolische genoegdoening voor een schandaal dat door zijn theoretisch onder hem gestelde ambtenaren zelf is aangewakkerd.

Bij het Recruit-schandaal, dat eind jaren tachtig uitbrak, waren politici direct betrokken; ze hadden zich schuldig gemaakt aan handel met voorkennis in aandelen van het Recruit-concern om zichzelf te verrijken. Het leidde tot het uittreden uit de LDP (maar niet tot het opgeven van zijn parlementszetel) van oud-premier Nakasone, later weer door de ethische commissie van het parlement van blaam gezuiverd. En tot het aftreden in april 1989 van premier Takeshita, zelf beticht van betrokkenheid. Takeshita is nu hoofd van de machtigste factie in de regerende LDP.