's Lands discreetste actiegroep verdwijnt; Anti-apartheidsgroep verplaatst activiteiten naar Zuid-Afrika

UTRECHT, 5 OKT. Defence and Aid Fund is de eerste anti-apartheidsgroep in Nederland die ophoudt te bestaan. Op verzoek van het ANC worden de werkzaamheden van wat wordt beschouwd als de meest discrete actiegroep van Nederland naar Zuid-Afrika verplaatst. Formeel is het fonds al opgeheven, vanavond rest alleen nog een slotfeest. Dan wordt ook een boek gepresenteerd met de wapenfeiten van de ”Dutch Connection'. De Nederlandse afdeling maakte meer dan vijfentwintig jaar deel uit van een internationaal netwerk, dat volgens de klassieke regels van de ondergrondse honderden miljoenen guldens naar de tegenstanders van de apartheid sluisde.

“Natuurlijk was de Zuidafrikaanse veiligheidsdienst op de hoogte van onze activiteiten, maar ze kon niets bewijzen”, zegt een tevreden dominee B.J. Roosjen in een terugblik op de prestaties van de Nederlandse afdeling. Sinds twintig jaar is hij betrokken bij de organisatie, waarvan de laatste 12,5 jaar als voorzitter. Het werk kwam vrijwel geheel neer op vrijwilligers, de afgelopen acht jaar was er een kantoortje in Utrecht met één betaalde kracht. Vorig jaar kwam een recordbedrag aan giften binnen: 1,3 miljoen gulden. In totaal is vanuit Nederland ten minste 13 miljoen overgemaakt. “Een kwestie van vergaderen en nog eens vergaderen”, zegt Roosjen.

Het geld was bestemd voor rechtshulp aan politieke gevangenen en ondersteuning van hun gezinnen. De moederorganisatie International Defence and Aid Fund (IDAF) in Londen heeft in totaal zo'n honderd miljoen pond in het geheim naar Zuid-Afrika gestuurd. Tienduizenden gevangenen en hun advocaten wisten al die tijd niet van wie zij steun kregen, de donateurs wisten niet aan wie zij gaven.

Defence and Aid Fund werd in 1956 in Zuid-Afrika opgericht door de Anglicaanse kanunnik John Collins om juridische steun te verlenen tijdens het eerste hoogverraadproces, waarin Nelson Mandela en 155 andere kopstukken uit de bevrijdingsbeweging terecht stonden.

In Nederland raakte het Zuidafrikaanse fonds bekend dankzij de toenmalige minister van buitenlandse zaken, Luns, die in 1965 besloot om jaarlijks honderdduizend gulden te schenken. De ”ton van Luns' veroorzaakte hevige commotie en als reactie daarop werd de Nederlandse tak van het fonds opgericht. Onder de initiatiefnemers bevonden zich onder anderen prof. G. van der Molen, pater J. van Kilsdonk SJ, dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot en rabbijn A. Soetendorp.

Nog voordat de Nederlandse regering haar gift kon overmaken, verbood de Zuidafrikaanse regering het Defence and Aid Fund. Het kantoor verhuisde daarop naar Londen en het tijdperk van de discretie trad in. De organisatie werkte via schijn-donateurs en het advocatenkantoor Birchbeck Montagu dat de gelden naar de collega's in Zuid-Afrika smokkelde. Het geld kwam vooral uit Scandinavië. De Zweedse regering gaf jaarlijks tien miljoen pond, de helft van het jaarbudget van IDAF.

“We hebben dat in de onderhandelingen met de regering wel eens als argument gebruikt en gevraagd of ze niet wat meer konden doen”, aldus Roosjen. Niettemin was de Nederlandse tak volgens hem uniek waar het ging om inzamelingsacties bij het publiek. Geen ander nationaal comité scoorde daarmee zo hoog. Alleen al het gezinsadoptieprogramma leverde jaarlijks meer dan 300.000 gulden op.

Roosjen: “Zo'n adoptiegroep bracht per maand 200 tot 300 gulden bijeen. De groep kreeg uit Londen de gegevens van gezin nr. 53 - namen mochten niet worden genoemd - en maakte dan geld over naar Londen voor de opleiding van de kinderen of voor een bezoek aan de gevangenis. De adoptanten ontvingen uit Londen ook citaten uit brieven van de Zuidafrikaanse gezinnen, zodat op die manier toch enig contact mogelijk was.”

Zonder dat de adoptiegroepen dat wisten fungeerde in Nederland nog een tweede netwerk. Dat was een zorgvuldig geselecteerde groep mensen die voor de verzending van het geld zorgde. Zij schreven elke maand een brief aan een gezin in Zuid-Afrika met daarbij ingesloten het geld dat Londen beschikbaar stelde. De correspondenten moesten het doen voorkomen of zij louter op eigen houtje een liefdadige actie voerden. Over het bestaan van IDAF mocht niet worden gerept, want het was voor Zuidafrikaanse burgers verboden om geld van die organisatie te ontvangen. De correspondenten mochten zelfs niet in eigen vriendenkring over hun IDAF-werk praten.

De spin in dit web was de Amsterdamse godsdienstleraar B. Meijer. Hij selecteerde de correspondenten en zorgde voor de aanvoer van het geld. Briefwisselingen met Londen gebeurden altijd via een schuiladres en telefoongesprekken werden buiten het hoofdkantoor gevoerd. De Zuidafrikaanse veiligheidsdienst is er nooit in geslaagd in IDAF te infiltreren.

Behalve de overheveling van de activiteiten in Nederland naar Zuid-Afrika was er nog een reden om de werkzaamheden van het fonds te beëindigen. “Veel grote donateurs zeiden dat ze hun geld nu rechtstreeks naar Zuid-Afrika zullen sturen, voor post-apartheidprojecten”, aldus Roosjen. “Ik vind dat schrijnend. Er is nog geen post-apartheidtijdperk, laat staan post-apartheidprojecten. De noodzaak van juridische steun is alleen maar toegenomen. In 1990, het jaar dat Mandela vrij kwam, verdubbelde het aantal politieke processen. Het ziet er naar uit dat dit jaar hetzelfde aantal wordt gehaald.”

    • Bert Determeijer