Installateur verslikt zich in marine-opdracht

De modernste Nederlandse fregatten zijn de risee van de Navo-vloot. Het geavanceerde, geautomatiseerde besturingssysteem is nog steeds niet klaar. Met man en macht streeft installateur Van Rietschoten & Houwens naar voltooiing ervan. Hoge extra kosten bezorgen het bedrijf een groot verlies.

Het eerste van acht M-fregatten, de Karel Doorman, is eind vorig jaar opgeleverd. Feitelijk precies op tijd, maar eigenlijk jaren te laat. De automatisering van het schip verhoudt zich tot de actuele computertechniek als, bij wijze van spreken, een kano tot een speedboot.

Het informatieverwerkende systeem, dat centrale besturing van alle computers op het schip mogelijk moet maken, werkt niet. De voortstuwing, de energievoorziening, de hydrauliek - alles moet noodgedwongen apart worden bediend. “Absoluut veilig”, susten marine en installateur Van Rietschoten & Houwens bij de eerste proefvaarten, “en over een jaar is alles in orde.”

De tot september bijgewerkte planning van de marine voorziet er nu in dat medio 1992 het gewraakte integrated monitoring and control system (IMCS) klaar is. Anderhalf jaar te laat dus. En het zal voorlopig niet worden geïnstalleerd op de Karel Doorman en de Willem van der Zaan, de twee M-fregatten die inmiddels in de vaart zijn. Voor dat laatste bestaan praktische redenen: voor installatie van het systeem en beproeving ervan dient het schip in dok te gaan, en dat is kostbaar. De eerste systemen zullen nu worden aangebracht op de fregatten die in aanbouw zijn, al varende schepen krijgen het IMCS ingebouwd bij de eerste geplande dokbeurt.

Met man en macht werkt Van Rietschoten & Houwens aan de voltooiing van het IMCS. Daarvoor is de hulp ingeroepen van Volmac, een van de weinige Nederlandse softwarehuizen die in staat zijn de vereiste aantallen systeemontwikkelaars en programmeurs vrij te maken voor grootschalige computerprojecten. Dat kost kapitalen; veel meer dan Van Rietschoten & Houwens had begroot en ook veel meer dan moedermaatschappij Internatio-Müller lief is. Internatio dat kampt met een sterk dalende winst, verkoopt de laatste tijd veel dochterbedrijven. Deze week maakte het bekend zijn handelsdivisie in elektronica (omzet 240 miljoen gulden) te verkopen aan Getronics.

Toen Koninklijke Maatschappij De Schelde in Vlissingen (KMS) in 1984 de miljardenopdracht voor de bouw van acht nieuwe M-fregatten kreeg, schakelde zij Van Rietschoten & Houwens als onderaannemer in voor de elektrotechnische installaties. R&H was een beproefd adres voor de bouw en installatie van geavanceerde defensietechnologie.

Maar het grote geld in de automatisering werd op dat moment verdiend in de ontwikkeling van programmatuur. Weinig andere branches boden zulke prachtige mogelijkheden om met relatief lage investeringen hoge marges te behalen. R&H's moedermaatschappij Internatio-Müller vond het aantrekkelijk uit te breiden in haar marine- en automatiseringssector. De grote marine-opdracht zou een mooi pakket werk opleveren. Bovendien zou het Van Rietschoten & Houwens een solide basis verschaffen voor de versterking van zijn positie in de top van de markt voor installatietechniek. Intensieve pogingen om ook een grote Australische defensie-order binnen te slepen, bleven overigens vergeefs.

In overleg met marine en KMS werd het concept voor het te ontwikkelen systeem opgesteld en Van Rietschoten & Houwens sloeg onverwijld aan het werk. Die voortvarendheid, zo blijkt achteraf, zou de onderneming lelijk opbreken. Voor het eerst ging ze akkoord met een contract dat oplevering van het omvangrijke project voor een vaste prijs voorschreef. De marine had strikte opdracht van "de politiek' een dergelijke overeenkomst te sluiten, gezien de gigantische kostenoverschrijdingen bij de automatisering van de Walrus-onderzeeërs. Ook bij dat project was Van Rietschoten & Houwens betrokken.

Pag.18:

Snelle groei breekt Van Rietschoten op; "Tijdens de bouw zagen we dat ze in de problemen kwamen'

“We maakten een te vage afspraak over de gedetailleerde inhoud van de automatisering van de fregatten”, erkennen hoge functionarissen binnen Internatio-Müller nu. In verband met de “uiterst gevoelige aard” van de problematiek - Van Rietschoten & Houwens probeert met de marine tot een vergelijk te komen over doorberekening van meerkosten - spreken ze op voorwaarde van anonimiteit. “We dachten toen: we werken al 25 jaar met elkaar. Dat regelen we wel.”

De strategie van Van Rietschoten & Houwens werd sinds 1987 nadrukkelijk gericht op groei, autonoom, via overnemingen en samenwerkingsverbanden. Het ging aanvankelijk allemaal prachtig. De omzet in de periode 1985-1989 verdubbelde, ondernemingsresultaten kwamen boven de prognoses uit en volgens het jaarverslag lag “verdere winstverbetering in de komende jaren” in het verschiet.

Als belangrijkste investering in 1989 gold “vooral de uitbreiding en modernisering van computerapparatuur en de aanschaf van state of the art programmeringshulpmiddelen voor de divisie Defensie Systemen”, waarvoor interimdirecteur drs. H.J. Knottenbelt zich sterk had gemaakt. Het verslag maakte melding van gestegen marges, een netto rendement van zeventien procent en een zeer hoog absoluut niveau van onderhanden werk. Verbetering van de beheersbaarheid van projecten - door opleiding van projectleiders en betere beheerssystemen - werd voor 1990 noodzakelijk geacht, gezien de omvang, duur en complexiteit van de projecten. Het zou tot hogere efficiency en betere resultaten moeten leiden.

Maar Knottenbelt is weg bij Van Rietschoten & Houwens en ook het optimisme is verdwenen. De omslag kwam begin 1990, toen de leiding van R&H ontdekte dat het IMCS niet op tijd klaar zou zijn.

“Van Rietschoten & Houwens heeft de ontwikkeling van de software waarschijnlijk onderschat”, meent marinewoordvoerder overste D. Weekenstroo nu. “Het was tot voor kort een hardwarehuis. Tijdens de bouw zagen we dat ze in de problemen kwamen.”

Van Rietschoten & Houwens bestrijdt die verklaring. “Het was niet de eerste keer dat we computerprogramma's maakten. Al sinds de jaren zeventig was hier duidelijk dat de ontwikkeling van hard- en software een gecombineerde wetenschap is, die nodig is om een hoogwaardig installatiebureau te zijn. We zijn al veel langer bezig geweest de nodige kennis en ervaring op het gebied van software in huis te halen, zonder dat we overigens de behoefte hebben gehad een softwarehuis te worden.”

Van Rietschoten & Houwens schrijft de huidige moeilijkheden uitsluitend toe aan de snelle groei in de jaren tachtig, autonoom en door overnemingen, waarin het een internationale positie op de defensiemarkt nastreefde. “Onze organisatie was nog volop in ontwikkeling en niet zo strak georganiseerd - waardoor doelmatigheid en samenhang ontbraken - terwijl de markt verzakelijkte en de aandacht voor kostenbewaking groeide. Dat bleek voor ons een te zware belasting.”

Inmiddels heeft Van Rietschoten & Houwens het adviesbureau McKinsey zijn organisatie laten doorlichten. De conclusies van diens analyse zijn zorgwekkend en hoopgevend tegelijk. De installateur heeft alle vereiste kennis in huis, maar de afspraken zijn te weinig gesystematiseerd. Scheiding van defensie- en civiele werkzaamheden (industriële automatisering, utiliteitsbouw, telematica) is noodzakelijk, waardoor de voortgang van projecten beter te controleren valt en kosten duidelijker zijn toe te rekenen.

Ook stelden de onderzoekers van McKinsey vast dat de kosten van het installatiebedrijf niet sterk afweken van wat in de branche gebruikelijk is. Op suggesties dat R&H voor het begrote aantal manuren een veel te lage vergoeding heeft berekend, geeft het bedrijf geen commentaar. De huidige kostenoverschrijding bij de M-fregatten is “veeleer” terug te voeren op de gebrekkige vaststelling van details van het project en de noodzaak externe deskundigen in te schakelen die veel duurder zijn dan eigen personeel.

Voorlopig zitten Van Rietschoten & Houwens en de Koninklijke Marine echter met de gebakken peren. Indien alsnog een werkend IMCS wordt opgeleverd, blijft de ellende voor de marine beperkt tot de opgetreden vertraging. De meerkosten, waarvan R&H geen schatting wil geven, komen contractueel voor zijn rekening.

Overigens betreffen die meerkosten alleen de lopende uitgaven, want volgens het bedrijf is al met de marine overeengekomen dat zij afziet van de in het contract opgenomen dwangsom voor te late oplevering. Van Rietschoten & Houwens kan pas een echte schadeclaim verwachten als de ontwikkeling van het IMCS zo uit de hand loopt, dat de marine hiervoor een andere onderneming moet inschakelen. Dat laatste noemt het Rotterdamse installatiebedrijf “een theoretisch verhaal”; nadere analyse van hoofdaannemer De Schelde en de marine heeft uitgewezen dat het automatiseringssysteem “maakbaar” is.

Begin dit jaar wezen ingewijden erop dat R&H tegen een strop van 75 miljoen gulden aankeek. Directeur ing. W.M. Maas verzekerde toen dat zijn bedrijf geen stroppen zou lijden en evenmin voorzieningen had getroffen.

In augustus verscheen het halfjaarbericht van het beursgenoteerde Internatio-Müller, dat in beduidend alarmerender bewoordingen was gesteld. IM verdiende die periode slechts drie ton, terwijl de netto winst in de eerste helft van 1990 nog 10,1 miljoen gulden was. Een van de factoren die de winst drukte was een reservering van ruim tien miljoen gulden in verband met “vertragingen bij de installatie van nieuwe besturingssystemen voor de M-fregatten van de Nederlandse marine”, aldus het halfjaarbericht. “Van Rietschoten & Houwens zou zonder Internatio-Müller een gigantisch probleem hebben”, oordeelt de top van de onderneming.

De lankmoedige houding van de marine tegenover Van Rietschoten & Houwens is volgens woordvoerder Weekenstroo verklaarbaar: “Je kan Van Rietschoten & Houwens verantwoordelijk stellen, maar dat hebben we nog niet gedaan. Je werkt immers samen. Die schepen moeten worden afgebouwd. Niemand is erbij gebaat als dat bedrijf failliet gaat.” De marine heeft volgens hem het eisenpakket inmiddels vereenvoudigd.

Volgens de woordvoerder maakt de vertraging de marine weinig uit. Van Rietschoten & Houwens heeft gegarandeerd dat alle vertraging uiteindelijk zal worden ingelopen. Volgens plan dient het laatste van de acht M-fregatten in 1996 operationeel te zijn. De extra inspanningen moeten er dan voor hebben gezorgd dat ze allemaal een werkend IMCS hebben.

Het oponthoud in de levering ervan heeft de marine volgens Weekenstroo niet voor extra kosten gezet. “Ons afbouwteam bij De Schelde zit er toch de hele tijd. Wij hebben hooguit een organisatorisch probleem, je kan later met opleidingen beginnen. Maar de kosten daarvan vallen lastig te calculeren.”

Calculeren is voor Van Rietschoten & Houwens op dit moment in ieder geval een stuk gemakkelijker. Elke betaalde rekening voor het M-fregat is een verliespost. Binnen de onderneming is de afronding van het IMCS dan ook tot hoogste prioriteit verklaard. “De kosten moeten beperkt worden. Om een miljoen gulden verlies op te vangen, moet je twintig miljoen gulden extra omzet draaien.”

Inmiddels is een adviesaanvraag op weg naar de ondernemingsraad van Van Rietschoten & Houwens om directeur Maas “te ontlasten van zijn brede taak” om hem geheel vrij te maken voor het vinden van een oplossing voor de defensietak. Daarnaast is een tweede adviesaanvraag onderweg om de organisatie te scheiden in een defensie- en een civiele divisie.

Interpretatie van die splitsing als een sterfhuisconstructie, die het mogelijk moet maken de defensie-activiteiten, inclusief verlies, op te heffen wanneer medio 1992 nog geen werkend IMCS bestaat, weerspreekt Internatio-Müller. Het concern staat garant voor de verliezen van zijn dochters.

Verkoop van defensie-activiteiten is evenmin goed denkbaar. De mondiale ontspanning heeft de animo voor uitbreiding van defensie-activiteiten door overneming van bedrijven minimaal gemaakt. Maas zal de toekomst van zijn defensiebedrijven moeten zekerstellen door samenwerkingsverbanden te zoeken met andere ondernemingen.

De behoefte om nog groei te zoeken in de defensiemarkt is bij Van Rietschoten & Houwens nagenoeg verdwenen. Was de omzetverdeling tussen militaire en civiele opdrachten in 1985 nog fifty-fifty, op dit moment genereren 600 van de 4000 R&H-medewerkers nog een kwart van de omzet in de defensiesector. Door verdere groei van de civiele sector, autonoom en door overnemingen, zal het defensie-aandeel in de omzet op termijn nog slechts circa tien procent bedragen.

Intussen blijft Van Rietschoten & Houwens omzichtig proberen de Koninklijke Marine toch een deel van de niet-begrote kosten voor de M-fregatten te laten betalen. “Dat ligt politiek heel moeilijk”, weet Internatio-Müller. Maar het geeft de hoop niet op: “Van Rietschoten & Houwens is nooit om subsidie gekomen, waar anderen dat wel gekregen hebben.”