Guerrilla-acties bij Zeeland; Een ooggetuigegeverslag uit najaar 56 v. Chr.

In 58 v. Chr. kreeg Gaius Julius Caesar van de Romeinse Volksvergadering en Senaat als proconsul (stadhouder) een vijfjarig mandaat voor het bestuur over Gallia Cisalpina en Gallia Transalpina, respectievelijk het huidige Noord-Italie en Zuidoost-Frankrijk. Via een slimme verdeel- en heerspolitiek wist Caesar in acht zomercampagnes heel Gallia inclusief het huidige Belgie te onderwerpen. De contacten met de toenmalige bewoners van Zeeland en de rest van zuid Nederland verliepen echter niet bepaald soepel. In zijn rapportage aan de Senaat over de Gallische Oorlog beschrijft Caesar zichzelf in de derde persoon, dit om zijn verslag een 'objectief' karakter te geven.

Uit DE BELLO GALLICO door JULIUS CAESAR

Hoewel de zomer zo goed als voorbij was, liet Caesar zijn leger ook nog uitrukken tegen de Menapiers en de Morinen 1). Zij vormden de laatste gewapende macht die nog was overgebleven na de onderwerping van geheel Gallie en onderhandelaars met een vredelievende missie hadden ze nog nooit gestuurd. Het was een expeditie die op het eerste gezicht snel afgerond kon worden. De tegenstanders gingen echter heel anders in hun oorlogsvoering te werk dan de overige Galliers. Ze hadden namelijk in de gaten dat de grootste volken door ons op de vlucht waren gejaagd en onder de voet waren gelopen, zodra die het op een directe krachtmeting hadden laten aankomen. Daarom trokken zij met hun hele hebben en houden naar de aaneengesloten bos- en moerasgebieden waarover ze beschikten. Toen Caesar de plek had bereikt waar dit woud begon en een kamp begon op te zetten - er was nog geen vijand gesignaleerd - stormden zij onverhoeds van alle kanten uit het bos tevoorschijn en vielen onze soldaten aan. Onze mannen, die op verschillende plaatsen bezig waren het kamp op te bouwen, grepen onmiddellijk de wapens en dreven hen in de wouden terug. Daarbij verloren ze slechts een paar eigen mensen, terwijl ze een flink aantal vijanden ombrachten. Ze achtervolgden hen ook nog een eind, op een bijna onbegaanbaar terrein. Tijdens de dagen die hem nog restten, liet Caesar doorlopend bossen kappen. Daarmee wilde hij elke aanval van opzij voorkomen wanneer de manschappcn niet volledig bewapend waren en niet op een gevecht bedacht. Hij liet al het gekapte hout links en rechts opstapelen als een soort verdedigingswal, de boomtoppen richting vijand gekeerd. Toen men zo binnen enkele dagen in een ongelofelijk tempo een heel stuk verder was gekomen en onze manschappen al vat kregen op het vee en het achterste stuk van de bagagetros van de vijand, zochten die hun heil in wouden die nog dichter waren. Vlak daarop begon echter zo'n noodweer dat we gedwongen waren het kapwerk te onderbreken. Door de aanhoudende regen konden onze soldaten bovendien niet langer onder de tenthuiden bivakkeren. Daarom leidde Caesar zijn leger terug, maar niet zonder eerst al het akkerland van de vijand te hebben vernietigd en hun gehuchten en huizen in brand te hebben gestoken. Hij bracht zijn leger onder in winterkwartieren in de gebieden van de Aulerken en de Lexoviers 2) en nog wat andere stammen die nog zeer kort geleden strijd tegen hem hadden gevoerd.

1) De Menapiers woonden in de buurt van het huidige Zeeland, aan de monden van de Schelde, de Maas en de Rijn. De Morinen woonden iangs de Frans-selgische kust, tot aan de Schelde. 2) Respctievelijk tussen Seine en Loire en in Normandie. Bron: Julius caesar De Bello Callfco (3), ed. dr. J. J. E. Hondius en dr. J. A. Schuursma; Noordhoff, Groningen, 1954, vert. drs. C. G. Mak. (Een Nederlandse vertaling is in 1984 verschenen in de 'klassieke galerij van uitgeverij Wereldbibliotheek ais De Gallische Oorlog, door F. H. van Katwijk-Knapp).

    • Ceert Mak