Groei-econoom R.M. Solow relativeert zijn eigen "parabel'

APELDOORN, 5 OKT. De politicus voelde zich gisteren gesterkt door de econoom. Na amper een etmaal in Nederland was prof. R.M. Solow, Nobelprijswinnaar economie in 1987, verrast. “Mij werd verteld, maar misschien is het roddel, dat de werklust in dit land een punt van discussie is.” Minister dr. J.E. Andriessen (economische zaken) knikte instemmend, maar formuleerde voorzichtig. “We vinden langzaam maar zeker weer openingen in het sociale zekerheidssysteem”, concludeerde hij.

De Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde organiseerde gistermiddag in Apeldoorn de vijfde Tinbergen-middag. Een aula vol wetenschappers van geld en goed - enkele honderden heren aangevuld met een enkele dame - hing aan de lippen van de inmiddels 67-jarige Robert Solow, ooit economisch adviseur van de presidenten Kennedy en Johnson, wiens pionierswerk in de jaren vijftig als neo-klassiek groei-econoom later met een Nobelprijs werd bekroond.

Solow startte zijn betoog met vraagtekens. De groei van het bruto nationale produkt per hoofd van de bevolking was in Nederland gedaald van 3,6 procent per jaar in 1963-'73 via 1,4 procent in 1973-'83 naar 0,2 procent in 1980-'88. In de jaren zestig en zeventig lag de Nederlandse groei op het Duitse peil, maar in de jaren tachtig bleef Nederland achter bij zijn oosterburen. Een antwoord op de vraag “waarom?” bleef Solow schuldig. Eén ding wilde hij wel kwijt. “Zou Nederland sneller gegroeid zijn met een strakkere fiscale politiek? Ik zeg: nee.”

De minister, zelf jarenlang hoogleraar economie, liet het fiscale beleid grotendeels voor wat het waard is, of was. Hij greep de gelegenheid aan om “de Nederlandse attitude ten opzichte van de techniek” aan de kaak te stellen. Tegen het jaar 2010 zou dit land kampen met een tekort van 6000 technologische onderzoekers. Andriessen: “Als alfa-wetenschapper schaam ik me wel eens. Ik ben bang dat al die economen die nu onze universiteiten bevolken niet zo'n rozige toekomst tegemoet gaan.”

Andermaal betoogde Andriessen dat hij zich geen zorgen maakt over de hoge besparingen in Nederland (“Dat is misschien wel risicomijdend, maar we hoeven in de toekomst ook niet zulke hoge pensioenpremies te betalen als in Italië”) en evenmin over de hoge Nederlandse investeringen in het buitenland. Wel moeten de investeringen in de infrastructuur (treinen, tunnels, enz.) omhoog.

Volgens de jongste Miljoenennota worden voor die infrastructuur extra gasbaten vrijgesteld; minister Kok (financiën) antwoordde op Kamervragen dat het de komende jaren zou gaan om 150 tot 300 miljoen gulden. Maar Andriessen zei gisteren dat deze financiële hulpbron “pas over een paar jaar” een substantiële omvang zal bereiken. Op korte termijn zal de overheid zelf financiële ruimte moeten maken of overeenkomsten met institutiele beleggers moeten sluiten.

Solow schuwde weliswaar het economenjargon niet, maar wat hij zei was klip en klaar. De neo-klassieke groei-theorie is in wezen simpel: de produktie groeit door de toename van de factoren arbeid en kapitaal, en de groei die langs die weg niet wordt verklaard (het "residu') is toe te schrijven aan technologische vooruitgang. Ooit, in 1969, vatte Solow zelf de hele groei-theorie samen als een "parabel'. Relativerend schreef hij: “Bij een parabel vraag je niet of zij letterlijk waar is, maar of ze goed wordt verteld. Maar zelfs een goed vertelde parabel heeft beperkte toepasbaarheid”.

Pag.18:

"Effectief milieubeleid kost 5 pct van het BNP'

Als het om de praktijk gaat is groei-econoom Solow “pessimistisch”. Zeker, met extra investeringen of beter onderwijs (human capital) kan de produktie op een hoger peil worden gebracht. Daar ligt een taak voor de overheid maar nog meer voor de ondernemer. Wie echter op die manier ook de produktiegroei duurzaam wil verhogen, vergist zich, aldus de voormalige hoogleraar statistiek en economie aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Immers, afnemende meeropbrengsten drukken de groeivoet weer terug.

Een duurzaam versnelde groei is in Solows optiek alleen mogelijk via technologische ontwikkeling. Maar die is beleidsmatig niet zo simpel te benvloeden. Een stelling die Andriessen in wezen onderschreef: de overheid kan met haar technologiebeleid helpen, maar het bedrijfsleven moet het voortouw nemen, ook in Europees verband.

Dit alles neemt niet weg dat Solow sterk hecht aan het belang van kapitaal en investeringen. Het maatschappelijk rendement (social rate of return) van investeringen, zo blijkt uit vroegere en latere schattingen, is veel hoger (15 tot 25 procent) dan het particuliere ondernemersrendement, en nog veel hoger dan de reële rente, zegt hij. Hoe komt dat? Solow: “Ondernemers staan bloot aan risico's die voor een samenleving als geheel niet gelden. De dreiging van concurrenten bijvoorbeeld. En ondernemers benutten nieuwe technologieën slechts gedeeltelijk, terwijl een samenleving als geheel alle aspecten benut.”

Nederlandse economen, stelde hij in 1963 in zijn prof. F. de Vries-lezing (Capital theory and the rate of return), schrikken op een enkele uitzondering na terug voor de kapitaal-theorie, zowel de pure als de toegepaste. Hij heeft de indruk dat dat nog steeds zo is. Is Nederland niet alleen huiverig voor de techniek maar ook voor het kapitaal?

Sinds de Opec-oliecrisis van 1973 is de economische wetenschap op zoek naar haar eigen evenwicht. De "synthese' van het keynesiaanse denken (met nadruk op de vraag en de consumptie) en het neoklassieke denken (met nadruk op het aanbod van arbeid en kapitaal) viel in duigen. Solow: “De economische professie is er nog steeds niet in geslaagd de groei-theorie en Keynes in één nieuwe theorie te combineren.”

Begin jaren tachtig wonnen de aanbod-economie en de Reaganomics, althans tijdelijk, het pleit. Minder overheid en meer markt werd alom het devies. Milton Friedman en andere monetaristen betoogden dat belastingpolitiek op korte termijn effect kan hebben, maar op langere termijn zonder resultaat blijft. Dat ging Solow een forse stap te ver. In Does fiscal policy matter? (samen met Alan Blinder) presenteerde hij een levendig pleidooi vóór het fiscale instrument.

Over het nut van de economische wetenschap heeft de Nobelprijswinnaar geheel eigen ideeën. “Het praktisch nut van de economie spruit niet in de eerste plaats voort uit haar grensverleggende complexe werk, maar uit redeneringen die tamelijk rechttoe-rechtaan zijn”, stelde hij in 1963. Solow nu: “Het vak economie heeft forse resultaten opgeleverd, maar niet met de sterk verfijnde methoden waar jonge studenten vaak dol op zijn. Nee, veeleer via fundamentele benaderingen in de trant van vraag en aanbod, of met kosten-baten-analyses”.

Die analyses leiden soms, hoe kan het anders, tot nieuwe inzichten. In 1973 stelde Solow nog dat een stop-de-groei-politiek om de vervuiling te bestrijden “ongelooflijk inefficiënt” zou zijn en dat een actief beleid tegen vervuiling misschien niet meer dan “2 procent van het bruto nationaal produkt in het jaar 2000” zou vergen. Die eerste stelling onderschrijft hij nog steeds, maar een effectief milieubeleid zou, schat hij nu, wel eens 5 procent van het BNP kunnen kosten. Solow: “Maar het is nog altijd minder dan de VS nu aan defensie besteden. Die ruil lijkt me niet slecht”.

    • Kees Calje