Fraudes storten Chaumet in bankroet

PARIJS, 5 OKT. “Als men 125 broodjes (goud) heeft verloren, dan heeft men recht op toegang”, riep een man verontwaardigd in de lange rij toeschouwers die wachtten voor de opening van de Parijse rechtszaal. Daar begon deze week een drama dat de Franse bourgeoisie, en haar niet alleen, aan het hart gaat: de opkomst en ondergang van Chaumet, sinds tweehonderd jaar juweliers aan de Place Vendôme.

Twee zestigers in grijze costuums met vest, Jacques en Pierre Chaumet, stralen nog steeds de discretie uit die generaties klanten, van heinde - de Parijse haute bourgeoisie - en van verre - koning Hassan van Marokko, Liz Tailor en Imelda Marcos - zo wisten te waarderen. Maar Jacques en Pierre staan terecht wegens hun bankroet, misbruik van vertrouwen en illegale uitoefening van het beroep van bankier. Ze riskeren een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar, wellicht onder aftrek van het lange voorarrest dat ze in de gevangenis van Fleury hebben doorgebracht.

Erger nog, Jacques en Pierre, zijn wegens de juridische vorm die ze voor hun firma kozen (commanditaire vennootschap) persoonlijk aansprakelijk voor de financiële deconfiture, het gat van 1,7 miljard francs (bijna 600 miljoen gulden) die in 1987 aan het licht kwam. “Waarom hebt u deze ongewone en archaïsche juridische vorm gekozen”, vroeg de president van de rechtbank verbaasd. Jacques Chaumet: “Juwelen zijn met het privé-leven verbonden. Wij weten enorm veel over de families van onze cliënten. Wij wilden eerlijk tegenover hen zijn door ons volledig te binden. Die filosofie is ons duur te staan gekomen”.

Het satirische weekblad Le Canard Enchainé onthulde vier jaar geleden dat Salome Murat, de echtgenote van de toenmalige minister van justitie Albin Chalendon, haar juwelen ter waarde van drie miljoen gulden bij Chaumet had gedeponeerd om eventueel verkocht te worden. Een vriendendienst aan de gebroeders Chaumet die kennelijk in grote financiele moeilijkheden verkeerden? Het schandaal was daarna niet meer te stuiten en enkele maanden later volgde het bankroet.

Chalendon, die na enig aandringen aftrad, zou slechts een miljoen gulden hebben teruggekregen voor de ondergang van Chaumet zich voltrok. De oud-minister behoort niet tot de groep eisers om schadevergoeding die zich bij de rechtbank heeft aangemeld. De belangen van de ex-minister en die van koning Hassan (die vijftien miljoen gulden op de Chaumet's heeft te vorderen) worden behartigd door een anonieme maatschappij. De lijst belanghebbenden is lang: behalve vele particulieren die Jacques en Pierre tegen hoge rente wel wilden helpen, zijn er vele banken, grote en kleine, die talloze miljoenen heben verloren.

De opgang van de Chaumet's begon in 1973, het jaar dat in het westen bekend is als dat van de eerste oliecrisis. De plotselijk rijk geworden sjeiks en emirs uit het Midden-Oosten voorzagen zich rijkelijk van diamanten - een goede belegging want de prijs van de edelstenen steeg onophoudelijk. Het huis Chaumet maakte een enorme expansie door. Maar in 1981, na de tweede oliecrisis, stortte de vraag in en de prijs van diamanten daalde dramatisch: een catastrofe voor Jacques en Pierre met hun kostbare, duur ingekochte voorraad.

Met een enorme investering in een nieuw filiaal in New York, de hoofdstad van de yuppies, junk bonds en vastgoedbaronnen, probeerden de gebroeders het “wegvallen van de vraag uit het Midden-Oosten te compenseren”, maar tevergeefs. De jaren daarop probeerden Jacques en Pierre het ene gat met het andere te stoppen, soms met frauduleuze methoden. Banken verstrekten leningen op basis van de waarde van edelstenen die volgens de Chaumet's hun eigendom waren, maar in werkelijkheid door de aristocratie en de "families van de grote fortuinen' in bewaring waren gegeven.

Een enkele transactie bracht soms nog de hoognodige financiële verlichting, zoals die met het collier met 31 parels (geschatte waarde 180.000 dollar) dat prinses Minnie de Beauvau-Craon in 1984 aan Jacques toevertrouwde. Na demontage werden de parels op een nieuw, dubbel collier aangebracht dat in de zomer van 1985 voor vijf miljoen gulden werd verkocht. De nieuwe eigenaar, de Amerikaanse miljardair Roberto Polo, had er weinig plezier van: hij is inmiddels failliet.

Of prinses Minnie het zo wel bedoeld had, is nog niet duidelijk. Haar advocaat legde de rechtbank drie brieven over waarin de prinses - overigens een jaar na de transactie - de Chaumets bezweert het collier niet te verkopen. Op de vraag van de rechtbankpresident of Jacques de zaak financieel met de prinses had afgewikkeld, antwoordde de arme juwelier, tot in het diepst van zijn discretie aangetast, dat Chaumet “enveloppen bij haar advocaat had laten bezorgen”. Na de lange stilte die op deze verklaring volgde, voegde Jacques Chaumet daar voorzichtig aan toe: “Over deze handelwijze heb ik niet te oordelen”, wetend dat ook de Franse belastingdienst in deze rechtszaak een oplettende toehoorder is.

    • Jan Gerritsen