CHROESJTSJOVS KLEINE REVOLUTIE

Khrushchev and the First Russian Spring door Fedor Burlatsky 286 blz., geïll., Weidenfeld and Nicolson 1991, f 78,20 ISBN 0 297 81065 0

In de gehele Sovjet-Unie zijn de afgelopen weken bronzen Lenins, Dzerzjinski's en Sverdlovs weggedragen en in verre parken ter beschikking gesteld van de spelende jeugd. Misschien is de desillusie over het communisme intussen te groot om de vele vrijgekomen sokkels te vullen met standbeelden van partijkopstukken die na 1917 een positieve - en dus lang doodgezwegen - rol hebben gespeeld. Mocht die desillusie ooit wegebben, dan zou Nikita Chroesjtsjov eigenlijk best zo her en der een paar standbeelden verdienen, want per slot van rekening zijn bij hem de diepste wortels van Gorbatsjovs perestrojka te vinden.

In Khrushchev and the First Russian Spring maakt Fjodor Boerlatski een inventarisatie van Chroesjtsjovs pogingen te breken met het stalinistische verleden. Boerlatski was indertijd - tussen 1960 en 1965 - adviseur van Chroesjtsjov: hij schreef redevoeringen voor de partijleider en premier, stelde op diens aanwijzingen het Sovjet-standpunt ten aanzien van belangrijke problemen op schrift, vergezelde hem op een aantal buitenlandse reizen en maakte hem in die jaren veel van nabij mee.

Tegenwoordig is Boerlatski, die in de periode-Brezjnev het slachtoffer werd van de "nieuwe wind' die na de val van Chroesjtsjov ging waaien, adviseur van Gorbatsjov, lid van de Opperste Sovjet en in die Opperste Sovjet voorzitter van de commissie voor mensenrechten. Hij speelde overigens tijdens de coup van midden augustus een rol die de redactie van zijn blad, de Literatoernaja gazeta, hem niet in dank heeft afgenomen: Boerlatski verschool zich op zijn vakantie-adres.

Sinds Michail Gorbatsjov zes jaar geleden zijn perestrojka inzette en zeker nu het communisme in de Sovjet-Unie binnen luttele weken is ineengestort, ligt het voor de hand de hervormingspogingen van Chroesjtsjov te bagatelliseren. Op de schaal waarop we langzamerhand gewend zijn te denken, waren zijn pogingen immers zeer bescheiden.

Maar die schaal is nieuw, en de conclusie een vertekening: in het perspectief van de Sovjet-burgers in de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig hadden Chroesjtsjovs hervormingen het karakter van complete aardverschuivingen. Dat perspectief werd immers nog volop bepaald door Stalin en door de meer twintig jaar durende periode van massale terreur waarmee alle veranderingen in de samenleving gepaard waren gegaan. Hun leven had in het teken gestaan van onderdrukking: in de jaren dertig was er de collectivisatie van de landbouw en de razendsnelle industrialisatie geweest, in de jaren veertig de verschrikkingen van de oorlog en de hervatting van de terreur, in de vroege jaren vijftig de Koude Oorlog - en nog meer terreur.

BOEMAN

Nikita Sergejevitsj Chroesjtsjov heeft op het netvlies van de Westerlingen het beeld van een boeman achtergelaten. In 1956 had hij immers de Hongaren verpletterd en rond 1960 Berlijn bedreigd; hij was de baas van Walter Ulbricht en al die andere Oosteuropese stadhouders geweest, en hij was de lomperik die in de VN met zijn schoen op tafel sloeg, hij ook had in 1962 de Cubacrisis ontketend en daarmee menigeen in het Westen nachtmerries vol nucleaire verwoesting bezorgd.

De Sovjet-burgers hebben een ander perspectief. Voor miljoenen was Chroesjtsjov de man van de hoop, de man van de dooi. Onder Chroesjtsjov werd de stalinistische ban gebroken en begon de samenleving te veranderen, economisch en politiek, begon het isolement te breken, kwam een begin van een technologische revolutie op gang. De Sovjet-Unie ging meetellen: ze werd een supermacht, ze stuurde de eerste mensen de ruimte in, ze werd betrokken bij de internationale politiek. Sovjet-schepen bevoeren de wereldzeeën Moskou had vrienden op elk continent.

Onder Chroesjtsjov kwam in de Sovjet-Unie zelfs publieke discussie op gang. Schrijvers en journalisten roerden zich, er werden riskante boeken gepubliceerd en er werd - zo toont Boerlatski aan - op elk niveau geruzied tussen de verbeten verdedigers van Stalins lijn en de jongeren die zich de boodschap van het Twintigste Partijcongres ter harte namen. Het decennium van Chroesjtsjov was, kortom, een mini-revolutie voor de Sovjet-Unie.

Boerlatski schildert in zijn boek een gecompliceerd beeld van Chroesjtsjov: aan Nikita Sergejevitsj was niets menselijks vreemd. Hij was exuberant, grillig, soms clownesk, altijd spontaan, steeds vol sterke verhalen, die hij opdiste met brede, soms woeste gebaren. Hij was vaak sentimenteel, maar hij was zich ook bewust van zijn verantwoordelijkheid. Hij leidde een supermacht en wist wat dat betekende: het lot van de mensheid lag letterlijk in zijn handen.

Bedacht dient te worden dat Chroesjtsjov geen enkele ervaring had op het gebied van de internationale politiek: dat was onder Stalin het domein geweest van de dictator zelf en van twee of drie anderen, Molotov, Kaganovitsj en mogelijk Beria. Chroesjtsjov, schrijft Boerlatski, was ook als lid van het politburo onder Stalin nooit op de hoogte gebracht van zaken zoals het geheime akkoord met Hitler uit 1939: wat geheim was onder Stalin was ook geheim voor naaste medewerkers.

WANTROUWEN

In zijn betrekkingen met de Amerikanen moest de onervaren boerenzoon Chroesjtsjov vechten tegen een diep minderwaardigheidscomplex. Dat bracht hem ertoe bij zijn Amerika-reis met groot wantrouwen naar het dorp Camp David af te reizen, want een topgesprek in een dorp moest door de Amerikanen wel bedoeld zijn om hem te vernederen. Als tegenzet droeg hij bij zijn aankomst in de VS de saluutschoten op aan Sovjet-ikonen: het eerste was ter ere van Marx, het tweede was voor Engels, het derde voor Lenin en het vierde voor het Sovjet-proletariaat. Die saluutschoten waren stuk voor stuk zegepralen, balsem op zijn boerenziel.

Anderzijds koesterde Chroesjtsjov het even diepgewortelde gevoel ideologisch gelijk te hebben: de Amerikanen konden economisch en militair sterker zijn, maar het stond als een paal boven water dat de toekomst aan de Sovjet-Unie en het communisme behoorde. Er was volgens hem niet de minste twijfel over dat de Sovjet-Unie met haar wetenschappelijk uitgedachte systeem Amerika uiteindelijk zou inhalen. Zo werd het minderwaardigheidsgevoel gecompenseerd door zelfoverschatting.

Toen Chroesjtsjov in de VN zijn schoen uittrok en ermee op tafel sloeg, tot groot genoegen van de Derde Wereld-landen en ergernis van de Westerse machten, was dat een uiting van die psychologische overcompensatie: hij zou die nette deftige leuterende Westerse diplomaten eens laten zien wat proletarische vergadertechniek was.

Chroesjtsjov de boerenzoon was al jong mijnwerker geworden. Onder het tsarisme werd hij vervolgd, en zijn opvoeding vond plaats tijdens de revolutie en de burgeroorlog. Hij koos Stalins kant in diens conflicten met Trotski, Zinovjev, Kamenev en Boecharin. Voor hem leken zij intellectuele zwetsers naast Stalin, de man van de simpele en voor iedereen begrijpelijke opvattingen. Chroesjtsjov klom op tot partijchef van de Oekraïne en medewerker van diezelfde Stalin.

Het staat wel vast, aldus Boerlatski, dat Chroesjtsjov in die hoedanigheid vuile handen heeft gemaakt en actief heeft meegewerkt aan de zuiveringen. Toch staan er in dit boek een paar voorbeelden van de manier waarop hij - tevergeefs, en met gevaar voor eigen leven - bij de schreeuwende en dreigende Stalin enkele keren heeft getracht voor slachtoffers van terreur en hongersnood op te komen. Boerlatski ziet dat gegeven - en het daaruit voortvloeiende schuldcomplex - als het hoofdmotief voor de anti-Stalinrede op het Twintigste Partijcongres in 1956, het belangrijkste wapenfeit in het leven van Chroesjtsjov.

HEILIG

De vraag waar Chroesjtsjov eigenlijk de moed vandaan haalde op die manier en op dat moment - slechts drie jaar na zijn dood - met Stalin te breken, staat centraal in dit boek. De kans dat die breuk hem zijn kop zou kosten, was meer dan levensgroot. Stalin was heilig geweest, gevreesd en verafschuwd, maar heilig. Verreweg de meeste afgevaardigden van het Twintigste Partijcongres, inclusief de meeste leden van het politburo, waren stalinisten van het zuiverste water.

""Iemand moest het doen,'' was later Chroesjtsjovs eigen verklaring. Veel in de rede, aldus Boerlatski, was spontaan, weinig was voorbereid. Chroesjtsjov gaf vrijwel geen argumenten, beoordelingen of zelfs cijfers van de massale terreur. ""De sterkste indruk maakte de manier waarop Chroesjtsjov het lot van individuen beschreef, vooral van mensen die hij zelf had gekend en die als "volksvijanden' waren ontmaskerd en tegen de muur waren gezet. Chroesjtsjovs emotionele reacties wortelden in zijn menselijkheid en dat heeft hem er voor alles toe gebracht deze heroïsche daad te verrichten.''

Tegelijkertijd leed Chroesjtsjov onder wat Boerlatski omschrijft als de ziekte waar alle Sovjet-leiders - ""ook mensen van grote intelligentie en sluwheid'' - aan hebben geleden: ijdelheid, zelfoverschatting en de neiging ""geloof te hechten aan alle directe, onverhulde en duidelijk overdreven vleierij''. Het heeft uiteindelijk mede bijgedragen tot zijn val in 1965. Een val die onvermijdelijk was en die Chroesjtsjov niet, maar zijn medewerkers als Boerlatski wel zagen aankomen. De partijchef maakte te veel vijanden en te weinig vrienden.

Chroesjtsjov had de intellectuelen tegen zich in het harnas gejaagd met zijn domme platvloerse aanvallen op onorthodoxe schrijvers en kunstenaars, hij had de partij-apparatsjiks tegen zich in het harnas gejaagd door hun privileges aan te tasten en hen hun speciale kantines, hun "troggen' zoals Boerlatski ze noemt, af te pakken, hij had de staatsbureaucraten van zich vervreemd met zijn grillige, ongecoördineerde en ondoordachte hervormingen en hij had zelfs het leger en de KGB tegen zich in het harnas gejaagd (de chef van de KGB had hij niet eens in het poliburo opgenomen). Het resultaat was een coup die uiteindelijk, decade van de hoop of geen decade van de hoop, door iedereen werd begroet: eindelijk rust.

KRITIEK

Boerlatski is een bewonderaar van Chroesjtsjov, maar geen blinde bewonderaar. In dit boek is hij niet zuinig met kritiek. Chroesjtsjov was, zo luidt zijn conclusie, na het stalinisme een zegen, maar een zegen met beperkingen: hij was een kind van het stalinisme, een autocraat, die geen kaas had gegeten van democratie of scheiding der machten, en die bovendien zichzelf - geheel in de tradities van zijn land - zag als de ultieme scheidsrechter op elk gebied, inclusief de vele waarvan hij geen verstand had. Chroesjtsjov was een door en door overtuigd communist, een man die in het systeem geloofde en die weliswaar het stalinisme aanviel, maar nooit bereid was zover door te denken dat een garantie tegen de excessen van Stalin kon worden gegeven. ""Chroesjtsjovs belangrijkste probleem is dat hij begon als een buitengewoon moedig en actief politicus, maar hij de moed, de opvoeding en de kennis miste om ook een politiek denker te worden'', zo oordeelt Boerlatski.

Khrushchev and the First Russian Spring is een indringend boek. En niet alleen wegens de lotgevallen van de hoofdpersoon. Boerlatski schetst en passant het portret van een reeks anderen in wier directe omgeving hij indertijd verkeerde. Drie daarvan springen eruit: de hoogst middelmatige Brezjnev, de zakelijke en scherpzinnige Andropov en de superpedante Soeslov.

Boerlatski maakte Andropov als directe chef tussen 1960 en 1965 dagelijks van nabij mee. Ook in de jaren vlak voor zijn dood heeft hij met hem te maken gehad. Hier rekent hij af met de ook nu wel verkondigde stelling dat Andropov een hervormer was die - als hij tijd van leven had gehad - de Sovjet-Unie in dezelfde zin zou hebben hervormd als zijn protégé Gorbatsjov heeft gedaan. Andropov, aldus Boerlatski, wilde slechts de augiasstal van de Sovjet-samenleving uitmesten, de corruptie, de schaduweconomie, de bureaucratie en de dagelijkse schendingen van de discipline. Maar hij was geen werkelijke hervormer.

Andropov was van Chroesjtsjovs generatie, de generatie die de oorlog had meegemaakt en de wereld zag vanuit dat perspectief. Ze had, zo schrijft Boerlatski, ""de bloedigste van alle oorlogen gewonnen en een enorm aantal slachtoffers achtergelaten op het altaar van de overwinning''. Daarom werd het als een plicht gezien alles wat was gewonnen vast te houden en uit te breiden. Dat gold vooral voor Oost-Europa. Andropov, Chroesjtsjov en ook Stalin zagen die landen als oorlogswinst, en wat tegen zo'n hoge prijs was gewonnen, behoorde eenvoudigweg in het socialistische kamp. De Oosteuropese landen waren bondgenoten, buit en buffer tegelijk. En meer nog: voor de generatie van Chroesjtsjov en Andropov bepaalden zij de plaats van het socialisme in de wereld. Boerlatski schrijft het met een wrange ondertoon - wat niet wegneemt dat als hij één van de voormalige Sovjet-leiders heeft bewonderd, het wel Andropov was.

    • Peter Michielsen