Bij tafeltennis moet alles heel beheerst, heel gedoseerd; "Topsport is heel veel gevoel. Dat is toch eng'; "Ik wil het gevoel hebben dat ik er alles heb uitgehaald'

Ondanks haar streven naar evenwicht heeft ze een jaar van toppen en dalen achter zich. Eerst won ze de Europese Top 12. Daarna leed ze tijdens een rampzalig verlopen WK nederlaag op nederlaag. Sinds maart kampt ze met een polsblessure. MIRJAM HOOMAN-KLOPPENBURG. Over een neurotisch spelletje.

“Als je niet presteert, val je buiten de boot. Dan tel je niet mee. Dat is bij het WK gebeurd. Dan sta je overal buiten.

Ik verwacht ook niet anders. Ik verwacht niet zoveel van mensen. Er zijn maar weinig mensen die mij teleur kunnen stellen.

Een hard wereldje, ja. Daar ben ik wel blij om. Ik hou niet van dat halfzachte gedoe. Iemand die niet presteert hoort er niet bij. Klaar. Dat is geen topper. Dat zijn gewoon rechtlijnige gedachten en die vind ik ook horen bij de sport.

Ik ben wel gesteld op sfeer, goed met elkaar omgaan, elkaar helpen en steunen op momenten dat het even tegenzit. Ik wil niet graag als eenling in een team worden gezien. Maar je moet wel in de eerste plaats aan jezelf denken. En dat het met een ander niet goed gaat, kun je dan gepast jammer vinden. Jouw probleem is het niet.

Ik heb er niet zo'n behoefte aan dat de hele wereld zich om me bekommert als het niet goed gaat. Daar voel ik me echt niet beter bij. En als het heel goed met me gaat en de hele wereld valt over me heen, dan denk ik ook: wat moet ik daarmee. Door die blessure zit het nu even tegen, maar daar kom ik zelf wel weer uit. En als dat niet lukt dan is dat jammer, maar anderen kunnen mij daar toch niet bij helpen. Dus blijf maar liever weg.

Van een paar mensen is het natuurlijk wel belangrijk om te merken dat ze nog steeds veel om je geven. Dat je voor die mensen natuurlijk niet ineens niks meer bent, omdat je niet speelt of presteert. Mensen die je vertrouwt, waar je een band mee hebt, die je lief en leed delen.

Als topsporter balanceer je op het randje van je mogelijkheden. Topsport is heel veel gevoel. Dat is toch eng. Als het mis gaat, kun je een enorme deuk oplopen. Je hebt een aantal mensen nodig. Je kunt niet alles in je eentje doen.

Ik denk dat ik nu onderhand wel het goede karakter heb voor tafeltennis. Tafeltennis is toch wel een beetje een neurotisch spelletje, met al dat gepriegel. Daar moet je toch wel een vrij rustig iemand voor zijn. Vroeger was ik onbeheerster. Dan had ik niet genoeg geduld. Dan wilde ik die bal een rotklap geven. Uit kwaadheid wil je meer dan je kunt. Maar dat balletje weegt zo licht en je kunt maar heel zachtjes slaan, anders mep je over die tafel. Bij tafeltennis moet alles heel beheerst, heel gedoseerd.

Eigenlijk ben ik juist iemand van uitersten. Als kind kon ik uitgesproken enthousiast zijn maar als ik mijn overenthousiasme niet terug vond in anderen, dan liep ik tegen een muur op. Dan raakte ik teleurgesteld.

Ik heb geleerd mezelf wat meer in toom te houden. Dat is geen schijn meer. Dat is iets van mezelf geworden. Je weet wat je te wachten staat. Waar je aan toe bent. Wat je kunt doen om rustiger te worden. Dat vind ik het mooie van tafeltennis: dat je bijna alles onder controle moet hebben, in de eerste plaats jezelf. Als je alleen maar in het spelletje zit, dat is het streven, het perfectionisme. Dat geeft een heel sterk superioriteitsgevoel.

Als het vroeger niet ging, wist ik vaak zelf de oorzaak niet. Het lukte steeds net niet. Terwijl ik toch steeds het gevoel had: het zit er wel in. Vroeger had ik meer problemen om mijn eigen verwachtingen waar te maken. Terwijl ik nu een kampioenschap niet meer steeds toespits op iets wat nog komen moet. Ik probeer gewoon de dag te leven. Als ik mezelf onder druk zet, dan gaat het niet.

Ik denk ook wel eens dat ik over sommige dingen niet al teveel moet nadenken, omdat ik dat toch wel te veel doe. Soms denk ik: ging het allemaal maar eens een beetje vanzelf. Ongecompliceerder. Laconieker. Maar ik ben een all round speelster: ik heb heel veel technieken, ik moet het hebben van de slimme dingetjes. Dat vergt psychisch veel.

Bij tafeltennis sta je in een relatief kort tijdsbestek onder enorme spanning. En als je die niet heel snel kwijt kunt, is de wedstrijd alweer afgelopen. Dus moet je heel snel kunnen omschakelen. Dus moet je heel flexibel zijn. Dan baseer ik mijn vertrouwen op de coach. Dan is het belangrijk iemand naast je te hebben die ziet wat je doormaakt en weet wat je doen moet. Alsof hij een deel van die spanning van je overneemt. Door je af te leiden. Je op een ander denkspoor te brengen. Met bepaalde opmerkingen die hij eigenlijk niet mag maken onder een game, of een bepaald gebaar dat je hebt afgesproken, kan hij toch iets doorbreken of juist op iets verder bouwen. Als het niet goed gaat, kom je er zelf zo heel gauw niet uit. Ik denk dat tafeltennissers daarom toch wel een beetje hangen aan een eigen coach.

Dat betekent niet dat je niet zonder hem zou kunnen, dat je afhankelijk van hem bent. Je hebt zelf een heel goeie basis. Maar op belangrijke momenten is het een heerlijk gevoel dat je niet alleen staat, dat je samen een tegenstander bestrijdt. Dat er iemand zit die je over een drempel kan helpen, waardoor het net goed gaat of net niet.

Mijn vader heeft me op de weg gezet. Hij heeft Wiljo Leermakers, een hele goeie trainer, voor me opgezocht. Hij heeft aan mijn karakter gewerkt. Maar een vader is natuurlijk een vader, niet alleen maar een coach. Een vader wil graag dat zijn kind het goed doet. En als kind wil je het ook graag goed doen voor je vader. Bij een vader is het niet gedaan met tafeltennis. Want je gaat weer samen naar huis, je zit samen aan tafel, kijkt samen televisie. Het loopt allemaal in elkaar over. Soms was dat minder leuk.

Maar dan komt er een moment dat je verder wilt. Dus hebben we gezegd: je bent nu 20, je gaat verhuizen van het oosten naar het westen, je moet het zelf maar doen. En dat wilde ik ook graag: mijn eigen boontjes kunnen doppen. Ik had het gevoel dat ik er klaar voor was.

Het klikte vanaf het begin tussen Frits Kantebeen en mij. Als ik denk: het is niks, dan wordt het ook niet gauw wat. Mijn gevoel en verstand moeten toch een beetje samen zijn. De eerste competitiewedstrijd dat ik voor Scylla uitkwam, waarvan hij dus coach was, speelde ik slecht, beneden peil. En ik kwam naar de kant, en hij gaf me geen enkele aanwijzing, zei alleen maar dat het spannend moest zijn: een nieuwe club, zo'n eerste wedstrijd. Ik voelde me een soort begrepen achter die tafel. Hij raakte meteen de goeie snaar.

Tafeltennissen heeft hij me niet geleerd, maar wel het laatste beetje uit mijzelf te halen. Wat Frits heeft gedaan is onder woorden brengen wat mijn zwakke plekken waren. Ik kreeg bij hem het gevoel: de dingen die hij zegt die kloppen. Nooit heeft hij zich opgedrongen. Hij heeft geen stempel op me willen drukken. Dat schept vertrouwen. Ik voel het meteen als iemand daar zit voor zijn eigen belang.

Op een gegeven moment heb ik hem gevraagd of hij me ook bij internationale wedstrijden wilde begeleiden. Na een lange strijd is de bond begin dit jaar akkoord gegaan. Bij de Top 12 in Den Bosch ging het fantastisch. Het belangrijkste was dat ik me daar heel goed heb gevoeld. Dat was uniek. Ik had eerder vijf Top 12's gespeeld maar ik beleefde die toernooien toch nooit op een leuke manier. In Den Bosch had ik na de eerste dag helemaal geen spierpijn. Dat wees er al op dat ik me heel ontspannen voelde. Ik werd eerste maar ook als ik derde of vijfde was geworden, had ik het een bijzonder toernooi gevonden. Omdat hij erbij was.

Dan is het één keer fantastisch gelukt, dan komt het WK en dat loopt dan rampzalig. Mensen weten dan meteen hoe dat komt: die eigen coach. Terwijl dat niet waar is. In het eerste hoofdstuk - de landenwedstrijd - kwam hij helemaal niet voor, want hij mocht me niet coachen. Hij zat er pas bij het individuele gedeelte. Toen de malaise al aan de gang was, kon hij moeilijk als een tovenaar voor de ommekeer zorgen. Dat ging niet meer.

Kort na de Top 12 had ik last van mijn pols gekregen. In het begin dacht ik dat het wel over zou gaan. Om met elk pijntje naar een arts te stappen, daar ben ik het figuur niet naar. Maar de pijn verdween niet. Tegelijkertijd kwam het WK steeds dichterbij. Voor mijn gevoel had ik geen tijd om bij die blessure stil te staan.

En er was nog meer ellende. In België, in het trainingskamp voor de WK, werd mijn tas gestolen met mijn batje erin. Bij tennis pakken ze gewoon een ander racket, maar met een batje speel je jaren. Zo'n zelfde batje krijg je dus nooit meer terug.

Daarnaast kreeg ik in het trainingskamp ook nog te maken met organisatorische zaken die ik zelf moest gaan regelen rond de reis en het verblijf van Frits Kantebeen. Want allerlei mensen deden opeens weer moeilijk. Ik had zoveel aan mijn hoofd, wat eigenlijk als ongelooflijk slechte voorbereiding kan worden beschouwd.

De bondscoach wist van mijn blessure, maar verder heb ik er geen bekendheid aan gegeven. Ik wilde de blessure niet zo belangrijk maken dat ik er elk moment van het toernooi aan zou denken. Dat hadden Frits en ik zo afgesproken. Het gaat of het gaat niet. Iets daar tussenin bestaat eenvoudig niet.

Maar goed, je verliest de eerste twee wedstrijden. En alles bij elkaar beland je in een wirwar - die pols, die tas, die voorbereiding en dan ook nog misverstanden - waar je zelf haast niet meer uit kan komen. Frits Kantebeen heeft me op dat moment heel goed gesteund. Toen we onze eigen gang konden gaan, ging het ook meteen een heel stuk beter. Maar dat maak je niemand wijs als je niet goed presteert.

Daarna kwamen de persverhalen over ruzies. Dat ik dagenlang niet met Bettine Vriesekoop had willen praten. Dat we ruzie hadden waardoor ik niet presteerde en zij wilde stoppen. Dat ik uit de ploeg verwijderd was. Allemaal uit de lucht gegrepen. Technisch directeur Jan Vlieg had de coach niet gezegd, dat Frits en ik ons eigen plan mochten trekken. Daardoor vroegen de teamgenoten zich af waar ik was. Die dag heb ik met niemand van de ploeg gesproken, ook niet met Bettine. We hadden afgesproken dat we samen gewoon zouden dubbelen. Dat ze het op het laatste moment liet afweten, kwam doordat ook zij problemen had. Die stonden los van de mijne.

Met hulp van Frits heb ik de kater van het WK ter plaatse al verwerkt. Direct na mijn terugkomst had ik alweer zin om te trainen. Alleen: het ging niet meer. Mijn pols.

Sindsdien heb ik al van alles geprobeerd. Fysiotherapie. Tweeëneenhalve maand rust. IJs en warmte. Niets heeft het uitgehaald. Ik had beter mijn pols kunnen breken. Dan weet je waar je aan toe bent. Hoe lang daar voor staat.

De onzekerheid over de oorzaak is erger dan de pijn. Ik hoop deze weken door onderzoek op Papendal eindelijk duidelijkheid te krijgen. Als ik zeker weet dat het niet erger kan worden en dat ik niets kapot maak, dan kan ik met die pijn wel spelen. Ik denk dat ik wel zoveel wilskracht heb.

Ik heb het gevoel dat ik nog steeds in ontwikkeling ben, dat ik mijn plafond nog altijd niet bereikt heb. Zolang ga ik verder. Ik wil het gevoel hebben dat ik er alles heb uitgehaald.''

    • Dick Wittenberg