Bacchanten volgepropt als een uitdragerij

Voorstelling: Bacchanten van Euripides door InDependance. Decor: Jacques Kriek; spelers: José Kuijpers, Flip Filz, Olaf Malmberg en John Serkei. Begeleiding: Peter Eversteyn. Gezien 3-10 Witte Theater, IJmuiden. Te zien 5-10 Theater a.d. Haven, Den Haag. Tournee t-m 2-11.

Bacchanten van Euripides is een vrijbrief voor de fantasie. De wijngod Dionysos keert terug in zijn geboortestad Thebe en laat de zaken danig in de war lopen. Allen die zich aan de bekoring van de wijn hebben overgeleverd, gaan tegelijkertijd ongebreideld om met erotiek. Voor regisseurs en acteurs is het speelse en ook dreigend-lichamelijke van Bacchanten een van de rijkste bronnen om uit te putten. Voorwaarde is dat een gezelschap zijn beperkingen kent. Dat bij voorbeeld het verhaal niet verdrongen raakt.

Het gezelschap InDependance uit Arnhem plaatst de focus van Bacchanten op vier acteurs, die elk een afzonderlijke kwaliteit bezitten. José Kuijpers als de koningin-moeder van Thebe kan vilein lachen en net bezijden de inleving spelen; Flip Filz als Dionysos is voor zijn rol te onverwacht grof, waardoor het ruwe van de god van de roes accent krijgt. Olaf Malmberg als Pentheus is als acteur de meester der kleine, schrikogen opzettende verwarring. En Kadmios in de gestalte van John Serkei is een kuise, glimlachende travestiet.

Het zijn vier losse rollen, bij elkaar geveegd op een rood tapijt dat zo rotzooiig volgestouwd is als een uitdragerij. Uit een slijptol spat een fontein van vonken de hoogte in, en wie niet wist waar die vonken voor staan, gaan de ogen wel open als de bijbehorende obscene gebaren worden gemaakt. Pentheus draaft als een generaal rond met een kaart van Griekenland, maar daar blijft het bij: geen handeling staat in verhouding tot die kaart. Zo is er meer, nee, eigenlijk alles in de vormgeving van Bacchanten dat we een grillig en fantasierijk en interessant vondstje zouden kunnen noemen, hadden we daartoe de wil en het verlangen.

Als toeschouwer was ik buitengesloten. Er bestond geen enkele band tussen mijn aanwezigheid bij de voorstelling en de uitvoering ervan. Niets in mijn gedachten of verborgen verlangens werd aangeraakt of gewekt door het vertoonde. De overdaad aan beelden maakte het zicht op de werkelijke drijfveren van de acteurs duister. Was er maar een beeld geweest dat in alle scherpte tot de kern van de voorstelling raakte en dat de acteurs met elkaar in een dramatische verwikkeling verbond, dan had de warreling van al het andere een ijkpunt gekregen. Nu was er te veel voor het oog en het hart om te bevatten.

    • Kester Freriks