Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Willem wilmink leert kinderen dichten

Een balsturige doelgroep.

Willem Wilmink: In de keuken van de Muze. De gehele schriftelijke cursus dichten. III. Waldemar Post. Uitg. Bert Bakker, 304 blz. Prijs ƒ 34,90.

Afgelopen zaterdag hoorde ik tekenaar Max Velthuijs op tv iets moois zeggen. Hij was te gast in het Jeugdjournaal-Extra, omdat hij voor zijn boek Trompet voor olifant een Vlag en Wimpel had gekregen. Het gesprek ging over zijn lezers, of liever zijn kijkers: kinderen van ongeveer drie tot ongeveer zes jaar, in binnen- en buitenland, die wegdromen bij prentenboeken met zulke mooie titels als Kikker is verliefd en Kikker en het vogeltje. Marga van Praag vroeg hem of hij het niet jammer vond dat zijn boeken door oudere kinderen, zoals de Jeugdjournaalkijkers, minder gewaardeerd werden. Och, zei Max Velthuijs, daar was waarschijnlijk niet veel aan te doen. Vanaf een jaar of tien keerden ze zich van zijn, werk af, dan begonnen ze het te kinderachtig te vinden en dat was nu eenmaal kenmerkend voor die moeilijke leeftijd en dat was misschien ook maar beter zo. Hij vond het veel mooier dat er lezers waren die daarna, als ze eenmaal 'volwassen' waren geworden, weer terugkeerden naar zijn werk. Eigenlijk waren dat zijn favoriete lezers: die kinderen van 32, of 46, of 67 die het kind in zichzelf de rug toegekeerd, maar toch bewaard en op een zeker moment weer teruggevonden hadden. Zelf was hij er ook zo een. Ik moest hieraan denken bij het lezen van het nieuwe boek van Willem Wilmink, In de keuken van de Muze , een dikke bundel artikelen over poëzie. Want daarin richt Wilmink zich in de eerste plaats tot het Jeugdjournaalpubliek van twaalf- tot zestienjarigen. Voor die groep is poëzie meestal net zo iets als een prentenboek met kikkers en krokodillen: iets stoms waar het kleine stomme broertje nog duimzuigend

in zit te bladeren en waarvan die stomme ouders zeggen dat het toch zo leuk is. Serieus Bij die ingebakken afkeer van gedichten heeft Wilmink^ zich dus niet bij voorbaat neergelegd. Hij bestrijdt het vooroordeel driehonderd bladzijden lang, op de enige manier die bij zijn balsturige doelgroep op instemming kan rekenen: door zijn lezers, zijn gedichten en zichzelf serieus, maar ook weer niet al te serieus te nemen. In de keuken van de Muze is een soort Jeugdjournaal voor poëzie, en Wilmink treedt er zelf af en toe in op als zijn eigen Max Velthuijs: nu weer eens als de jongen van zes of

acht die hij ooit was, gedachteloos aftelrijmpjes zingend, dan weer als de man die hij nu is, iets droeviger en iets wijzer geworden, maar het, kind in zichzelf niet vergeten. Deze tijd- en leeftijdloze instelling zorgt ervoor dat alles wat Wilmink schrijft 'nieuw' is, de indruk wekt zojuist ontdekt te zijn — ook als dat niet zo is. Ik noemde In de keuken van de Muze net wel zijn nieuwe boek, maar dat is het in feite helemaal niet. Alle stukken daarin moet ik al wel eens gelezen hebben, maar toch kwamen ze me allemaal weer als nieuw voor — iets wat ook voor goede gedichten geldt. In de keuken van de Muze is een bundeling, herschikking en gedeeltelijke herschrijving van de

stukken die eerder al in de Vrij Nederland-rubriek De blauw geruite kiel en in drie afzonderlijk verschenen boekjes onder de titel 'Schriftelijke cursus dichten' verschenen. Ze hebben hier nu hun definitieve plaats gevonden in zes thematische hoofdstukken waarin achtereenvolgens worden behandeld: nut en onnut van gedichten lezen en interpreteren, het gereedschap van de dichter, het effect van poëzie, liedjes, kinderpoëzie en kinderpoëzie van vroeger. Dat ziet er gewichtig uit, als een heuse leergang, een Ars Poëtica voor de Jeugd, maar je kunt even goed zeggen dat dit een jeugdige ars poëtica voor iedereen is. Want als het om poëzie gaat is iedereen

steeds weer een beginner en kan iedereen van tijd tot tijd wel een opfriscursus als deze gebruiken: vermoeide dichters en sikkeneurige critici evenzeer als verdwaalde studenten en uitgebluste leraren Nederlands. Smartlappen Een bonte stoet van onderwerpen trekt hier voorbij, onder het montere motto 'Overal is poëzie', geleid door de vraag 'Poëzie, dat is allemaal wel erg leuk, maar wat heeft het voor zin?' en gesteund door de gedachte dat het mooi is om 'méér te weten van de dingen waar je van houdt'. Zoals: het probleem van 'de interpretatie', de kwestie van de raadselachtigheid, rijmschema's, maat en ritme, een helder stuk over beeldspraak, een mooie verhandeling over dromen. Dit alles aan de hand van de meest uiteenlopende soorten poëzie: Brederode, Blake, smartlappen, de bijbel, reclameteksten, kinderliedjes, Hendrik de Vries en Wannes van de Velde. Wilmink lardeert zijn stukken met 'huiskamervragen', verhelderende beelden en goeie grappen: toen er twee mannen als paard verkleed het toneel opkwamen, voegde de komiek Buziau ter verduidelijking toe: 'Het is geen écht paard, hoor.' Er zijn interessante vraagstellingen: 'Wat zouden de mensen het eerst hebben uitgevonden? Praten of dansen? Dansen of zingen? (-) Het zijn vragen waar de wetenschap nog geen antwoord op heeft.' Bruikbare definities: een theoloog is iemand 'die heeft doorgeleerd in de bijbel en de godsdienst.' En fijne vicieuze redeneringen: 'Vroeger was poëzie altijd een beetje plechtig, en het is dan

ook geen wonder dat in de negentiende eeuw veel dichters van hun vak dominee waren.' Aan Wilminks uitleg en definities schort nog wel eens het een en ander ('Wie het weet mag het zeggen!') en zijn uitgangspunten zijn ook niet altijd met elkaar te verenigen. Maar het aardige van dit boek is nu juist dat het bewijst dat er desondanks heel goed van poëzie te genieten valt. In de keuken van de Muze bestrijdt het misverstand, of het excuus, dat je eerst 'theorie' of 'achtergrondkennis' of 'verstand van poëzie' zou moeten bezitten voordat je eraan zou mogen beginnen. Een kniesoor zou als bezwaar kunnen opperen dat vorm en inhoud, techniek en betekenis bij Wilmink wel erg slordig door elkaar lopen. Maar hij kan zich wenden tot het bijgeleverde zakenregister of het boek nog eens lezen. Dan komt hij er achter dat Wilmink kwesties van vorm en inhoud niet voor niets zo vaak laat samenvallen, en dat er bij het lezen van poëzie nog iets anders nodig is: gevoel. In een stuk over popmuziek (maar eigenlijk over het verschil tussen arm en rijk) vraagt Wilmink zich af waarom hij zo ontroerd is door Bruce Springsteens 'Mansion On The Hill'. Het zit hem niet in de vorm (die eenvoudig is) en niet in de inhoud (sociaal onrecht), maar in iets anders: 'Ik heb me afgevraagd waarom ik dit eenvoudige gedicht zo prachtig vind. Ik denk dat het komt door de gemengde gevoelens die niet in de woorden zitten, maar erachter. Springsteen (-) wordt niet kwaad...alleen erg weemoedig.' In de keuken van de Muze is een rijke bloemlezing uit vele eeuwen en vele soorten poëzie, een winterboek dat overal opengeslagen kan worden, een schriftelijke cursus dichten en een schriftelijke cursus gedichten lezen — maar vooral een schriftelijke cursus gevoel, voor alle leeftijden. GUUS MIDDAG

Waldemar Post: Poot aan poot dansende haasjes