Voorbijgangers

Het plein was gisteren nog leeg. Nu staan er tientallen stokken waarlangs in het vierkant een doek is gespannen. Helemaal zeker ben je niet, toch vermoed je wat erachter zit. Je loopt er langzaam naartoe. Als het waar is wat je denkt wil je het plezier zo lang mogelijk uitstellen.

De twee mannen heb je al van verre ontdekt. Nog een paar passen en je kunt hun gezichten beter bekijken. Je ziet ze voor het eerst. Ineens denk je: ik zal ze nooit meer terugzien. Het zijn voorbijgangers die hier niet thuishoren. Misschien ben je hun gezichten over een paar uur alweer vergeten.

Maar nu staan ze daar nog en ze zijn net zo nieuwsgierig als jij. De man met de bolhoed en de snor maakt niet de indruk dat hij op zijn beurt wacht. Hij heeft vast al door het kijkgat gekeken en weet wat erachter zit. Straks zal hij er met zijn vriend over praten. En intussen kijkt hij streng naar jou, alsof hij het er niet helemaal mee eens is dat je eraan komt. Hij denkt zeker dat het hun plek is en dat jij daarom maar het best een flink eind uit de buurt kunt blijven.

De man met de pet wipt op zijn tenen omhoog, anders kan hij het kijkgat niet bereiken. Je zoekt ook naar een opening in het doek, maar je kunt er zelfs geen scheurtje in ontdekken.

Even sta je heel stil. Dan buk je je en vliegensvlug kruip je onder het doek door en ben je uit het gezicht verdwenen. De man met de pet ziet hoe je achter een paar wagens verdwijnt en de man met de hoed hoort alleen nog je wegklaterende voetstappen.

De tent ligt nog op de grond en de meeste artiesten hebben nog gewone kleren aan. Je ziet het, je ruikt het en je hoort het. Het circus is in de stad, het circus is in de stad!

    • K. Schippers