Van doos tot gebouw, van makser tot gezicht; Gesprek met beeldend kunstenaar Frank van den Broeck

Beeldend kunstenaar en docent Frank van den Broeck vindt dat zijn studenten elke dag moeten tekenen. “Je kunt niet zomaar kunstwerkjes gaan maken. Op een conservatorium of balletacademie is het heel gewoon dat je dagelijks oefent”, zegt hij. De tekening is bij Van den Broeck een zelfstandige kunstvorm. Pas in 1989 begon hij ook te schilderen - ongeveer tien schilderijen per jaar. Op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam zijn nu tekeningen, pastels en schilderijen van hem te zien uit de laatste drie jaar. “Ik geloof dat ik heel ernstig ben, maar er is een moment waarop ik al tekenend toch in de lach schiet.”

Tentoonstelling: Frank van den Broeck. Tekeningen, pastels, aquarellen en schilderijen 1988-1991. T-m 17 november in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Dagelijks geopend van 11-17 u.

De voorbereidingen voor zijn tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum zijn in volle gang. In zijn atelier, een oud schoollokaal in Amsterdam West, staan ruim tachtig tekeningen, pastels en schilderijen ingelijst gereed voor transport naar het Stedelijk. Terwijl Frank van den Broeck telefoneert over drukproeven en andere dringende zaken, bekijk ik de kleine tekeningen en aquarellen. Het valt me op dat behalve bekende motieven in zijn werk - sleutelgat, palet, masker - ook nieuwe opduiken, zoals vreemde, ruimtelijke vormen met spijkertjes, enveloppen en kersen. Veel motieven ondergaan tijdens het tekenen een metamorfose: van doos tot gebouw, van draperie tot masker en van masker tot gezicht. Zelfs de geheimzinnige, gespijkerde vormen blijken een soort versteende maskers. “Maar het kunnen ook de restanten zijn van een bouwwerk waar de stenen uitgedonderd zijn, terwijl de spijkers weer op iets ijzerachtigs lijken te wijzen”, zegt Van den Broeck. “Enveloppen tekende ik al in 1974-75. Ze zijn een tijdje weggeweest en weer teruggekomen. Allerlei dingen komen in enveloppen binnen - leuke en minder leuke. Soms noem ik het in de titel "brief', soms "missive', wat ernstiger klinkt. Een titel doet iets met het thema.”

We praten over de manifestatie Stof en Geest die dit voorjaar in het Gymnasium Felisenum in Velzen werd gehouden. Hiervoor was een twintigtal beeldende kunstenaars uitgenodigd om speciaal voor de klaslokalen installaties te maken. Van den Broecks installatie was eenvoudig, maar mooi en effectief. In een hoekje van het tekenlokaal had hij gewoon twee van zijn tekeningen opgehangen boven de gootsteen met een plank waarop verfblikjes stonden. Op de ene stond tegen een grillig getekende achtergrond een doos en op de andere waren twee maskers te zien die, zwevend boven een landschap, met een lint aan elkaar verbonden waren. In kisten bezorgd. In dromen bezocht was de titel.

“Tekenen is ook betekenis geven”, zegt Van den Broeck. “Misschien is dat al een symbolistische tendens. Ik accepteer dat iets is wat het is, maar achter een deur, een masker of in een kist zit iets. Punt uit. Toch loop ik niet te ontmaskeren, die geheimzinnigheid ontstaat vanzelf. Die kersen zijn dan weer minder symbolisch, lichter. Dat raakt mij bijvoorbeeld bij een schilder als Philip Guston, die gewone dingen. De façades van gebouwen in mijn werk zijn gebaseerd op iets dat nu niet meer bestaat: ponskaarten met zo'n hoekje eraf. Vroeger kreeg ik ze van het ministerie van onderwijs. Een van mijn tekeningen heet Gedicht op het ministerie.”

Charmant

Franck van den Broeck (1950, Eindhoven) studeerde van 1972 tot 1977 aan de Academie in Den Bosch en vervolgens tot 1979 aan de Rijksakademie in Amsterdam. Aan beide academies geeft hij tegenwoordig zelf les. In het begin van de jaren tachtig maakt Van den Broeck uitsluitend tekeningen in zwart-wit, later, vanaf 1984, volgden pastels en in 1989 presenteerde hij op een solotentoonstelling in het Bonnefantenmuseum in Maastricht voor het eerst ook schilderijen. De tentoonstelling die tot en met 17 november in het Stedelijk Museum is te zien, omvat werken uit de laatste drie jaar.

De tekening is bij Van den Broeck een zelfstandige kunstvorm, geen voorstudie voor een schilderij. In het Stedelijk is de verhouding tussen tekeningen-pastels en schilderijen ongeveer een op acht. “Ik maak ongeveer tien schilderijen per jaar”, zegt hij, “en als je consequent bent, teken je elke dag.” Hij streeft in zijn schilderijen niet naar dezelfde directheid als in een tekening, “want dan had ik niet hoeven gaan schilderen, dat zou een te kleine transformatie zijn. Een schilderij komt veel langzamer tot stand. Op een gegeven moment had ik een grote behoefte aan die vertraging, om langer met iets bezig te zijn. Het proces is anders, je stapt vaker terug om te kijken en te beslissen. Maar het heeft ook tijd gekost om het materiaal - olieverf - onder de knie te krijgen.”

De pastels, die meestal een staand formaat (94 x 64 cm) hebben, worden aan de wand gemaakt. “Soms gaat het heel snel. Je hebt in de ene hand dit krijt en in de andere dat en dan gaat het razendsnel. Maar soms moet je bouwen. Aan sommige pastels heb ik wel een jaar gewerkt. Je kunt niets weghalen, alleen maar toevoegen. De gelaagdheid neemt almaar toe, maar dat heeft toch zijn maximum en dan glibber je uit en smeer je de boel dicht. Vroeger gooide ik veel meer weg. Laatst viel mij op dat ik veel minder papier gebruik, met andere woorden ik ben directer geworden. Ik weet wat ik wil en weet me aan mijn voornemen te houden.”

De kleuren en vooral de kleurencombinaties van de pastels zijn heel bijzonder. Rood, groen, violet, geel, maar vaak zijn ze moeilijk te beschrijven: is het zalmkleurig, beige, leverkleurig of toch meer oranje? De gedurfde combinaties doen denken aan Oosterse miniaturen die Van den Broeck zeer bewondert. “Pastel is een rijk materiaal, je kunt er enorm mee manoeuvreren. Maar soms is het te charmant en moet je er bot mee omgaan.” Bij het bekijken van de pastels valt op hoe de keuze voor een ander soort papier - getint Ingres-papier - en een ander merk pastelkrijt een grote verandering teweeg kan brengen in intensiteit en felheid van de kleuren.

Van den Broeck creëert in zijn pastels en schilderijen een eigen universum waarin abstracte en figuratieve elementen met elkaar in evenwicht zijn. De herkenbare vormen zweven in theaterachtige ruimtes of landschappen, maar zijn ook verweven in liaanachtige vegetaties en arabesken. "Een georganiseerde warboel', noemt hij het. Dezelfde motieven keren in een andere context of in combinatie met elkaar terug. “De reden om een tweede tekening te maken is dat ik denk dat het beter kan. Soms liggen ze heel dicht bij elkaar en soms ontwikkelen ze zich. Het zijn geen reeksen, je kunt niet zeggen: daar gaan we eens een setje van opbouwen. De reden waarom ik zo van thema's houd is dat je het vanuit totaal verschillende hoeken - formele, inhoudelijke - kunt bekijken en met verschillende gedachten.”

Ernstig

“In het begin maakte ik "individuele' tekeningen, steeds weer nieuwe. Als je ze naast elkaar legt, zie je veel verschil. Ik probeerde elke dag een nieuw thema te vinden, maar dat lukt niet, dat is onmogelijk. De onrust die dat teweeg brengt, wilde ik op een gegeven moment veranderen. Als je op een goed idee komt, laat het dan ook maar een tijd meegaan. Daar moet het tegen bestand zijn. Zo ontstaat een eigen wereld en daar hecht ik aan. Daar houd ik ook het meest van bij andere kunstenaars als Redon (waar ik sinds kort echt naar ben gaan kijken), Ensor, Guston en Munch.”

Palet, masker en brief zijn min of meer klassieke symbolen voor schilderkunst, theater en literatuur. Het lijkt of Van den Broeck kiest voor serieuze, tijdloze thema's. “Ach, ik geloof dat ik heel ernstig ben, maar er is een moment waarop ik al tekenend toch in de lach schiet. Dan opeens ontstaat er iets dat zichzelf relativeert.” Hij wijst op een tekening van een grappig fladderend masker. “Dat is toch cartoonachtig? Wat Nijhoff beschrijft als de geest die boven zichzelf uit zichzelf parodieert.”

Inspiratie vindt Van den Broeck ook in de muziek (opera) en de literatuur (Slauerhoff, Machado de Assis, Pessoa, Stendhal). Dit klinkt ook door in titels als Vissi d'Arte, Vissi d'Amore (een aria uit Tosca van Puccini) en Julien Sorel (hoofdpersoon in "Le rouge et le noir' van Stendhal). Op deze laatste tekening staat een kop en profil met zijn kin op het blok vlak voor de onthoofding. Maar ook het werk zelf roept dit soort associaties op. Kijkend naar een schilderijtje van een stad in onbestemde mistige ochtendkleuren met erboven, in bijna dezelfde kleuren, een masker, moest ik denken aan de Cheshire Cat bij Alice in Wonderland. De koning wil de kat, die glimlachend boven het croquetveld verschijnt, onthoofden. Maar de beul voelt daar niets voor: hij heeft nog nooit iemand zonder lijf onthoofd.

Van den Broeck legt de nadruk op het tekenproces: “De dingen moeten uit het werk voortkomen. Het vervelende van het surrealisme is dat ze soms zo nadrukkelijk surrealistisch willen zijn.” Vertoont zijn manier van werken dan geen overeenkomsten met de surrealistische "écriture automatique', de onbewuste tekenwijze? “Juist niet, daarvoor ben ik te vooringenomen. Ik heb plannen en daar wil ik iets mee. Natuurlijk, iedere kunstenaar probeert dingen uit en weet niet hoe het afloopt. Uit de zijsprongen ontstaat dan iets nieuws.”

Op de academie zegt Van den Broeck tegen zijn leerlingen dat ze iedere dag moeten tekenen. “Je kunt niet zomaar kunstwerkjes gaan maken. Op een conservatorium of balletacademie is het heel gewoon dat je dagelijks oefent. Ik wil mijn eigen instrument zijn, mijn eigen klank voortbrengen en daar kun je naartoe werken. Naar het moment waarop het doen, het handelen rechtstreeks samenvalt met de verbeelding. Dan ervaar je ook meteen de inhoudelijke en emotionele lading. Ik doe geen moeite om origineel te zijn, maar ik moet wel het idee hebben dat ik het gemaakt heb.”