Spanje is een land zonder geheugen; Gesprek met Javier Marás

Spaanse literatuur en boeken over Spanje zullen vanaf volgende week woensdag in groten getale worden tentoongesteld tijdens de Frankfurter Buchmesse. Naast een literair programma is er muziek, theater en dans, en er zijn exposities met werk van Picasso, Miró, Dal, Goya en Velázquez. Judith Uyterlinde schetst een beeld van de moderne Spaanse literatuur en H.M. van den Brink sprak met de schrijver Javier Marás.

Javier Marás woont in een flat met dertigduizend boeken. In hoge kasten staan de klassieke en niet zo klassieke meesterwerken van de Spaanse letterkunde uit de afgelopen eeuwen ordelijk bijeen. Ze staan in de salon en in de eetkamer, in de studeervertrekken en langs de wanden van de gang tot in de keuken. “De meeste zijn van mijn vader”, zegt hij verontschuldigend. Zijn vader, de eminente geleerde, essayist en Ortega-kenner Julian Marás (77) zit een kamer verder onder een schemerlamp met zijn neus in een boek.

Javier zet zich achter de schrijftafel waarop de typemachine staat met daarin één van de laatste bladzijden van een nieuwe roman die bijna af is en heel dik beloofd te worden. Hij wrijft vermoeid door zijn ogen, omdat hij vannacht niet geslapen heeft. Gisteren is hij veertig geworden. “Dat is een goede gelegenheid om je af te vragen wat je tot nu toe gedaan hebt en wat je hebt nagelaten. Ik heb de balans opgemaakt. Van mijn persoonlijk leven uiteraard, niet van mijn werk. Literatuur is niet zo belangrijk voor mij.” Daar moeten we vervolgens allebei om lachen.

Naast zijn schrijftafel hangt, ingelijst, de recensie uit Le Monde waarin zijn korte roman El hombre sentimental wordt omschreven als “een overweldigend debuut in Frankrijk, een pittige en extreem elegante oefening in introspectie die het verdient om twee keer gelezen te worden.” Het boek is behalve in het Frans ook in het Engels, Duits, Grieks en Portugees vertaald en deze week verscheen de Nederlandse uitgave.

Een man van gevoel gaat over de liefde van een operazanger voor de vrouw van een Vlaamse bankier. Of, beter gezegd, over het begin en het einde van die liefde want de dingen die ons beroeren duren maar heel even, zegt de schrijver, en over het min of meer duurzame wat daartussen ligt weten we nauwelijks iets te bedenken wat de moeite van het vertellen loont. Of misschien gaat het boek daarom juist wel over de bankier, die Hieronimus Mansur heet en een uitzondering op deze regel is. Hij is de man van gevoel - het onbepaalde lidwoord in de Nederlandse titel is Marás een gruwel - en dus een wandelend anachronisme, een onaangepaste wilde, een man van de daad die de ene fout op de vorige vergissing stapelt. Het boek gaat trouwens ook over het leven in luxe hotels, de obsessies van heldentenoren, de nachtelijke vraatzucht van Madrileense vuilniswagens, vliegangst, stemoefeningen en een kalender waarop de maanden Italiaanse namen hebben.

Over het dagelijks leven op het Iberisch schiereiland bevat het daarentegen weinig wetenswaardigheden. Het Spanje van nu is nauwelijks een decor.

“Het verwijt dat ik een on-Spaanse schrijver ben, achtervolgt me vanaf mijn eerste boek”, zegt Javier Marás met iets dat het midden tussen een zucht en een glimlach houdt. Hij was negentien toen Los dominios del lobo verscheen. “Het werd heel vriendelijk ontvangen, daar niet van. Maar conservatieve critici vroegen zich af waarom zo'n jonge auteur het over Amerikaanse filmfiguren uit de jaren veertig en vijftig wilde hebben en niet gewoon een roman over zijn eigen ervaringen schreef en liefst ook nog over de mooie gebruiken en de rijke culturele traditie van ons land. Progressieve recensenten vonden dat ik de grauwheid van alledag moest beschrijven, de troosteloze werkelijkheid die het gevolg was van bijna veertig jaar dictatuur. Toen mijn volgende boek, Travesia del horizonte, een soort negentiende-eeuwse avonturenroman bleek te zijn die meer met Henry James, Joseph Conrad en Arthur Conan Doyle te maken had dan met onze fabrieksarbeiders en met generaal Franco werd ik zelfs regelrecht voor verrader uitgemaakt. Ik heb me daar niets van aangetrokken. Zo jong als ik was, wist ik heel goed wat ik deed. Ik wist zeker dat ik niet zo wilde schrijven als andere Spaanse romanciers.

“Het ligt voor de hand om te denken dat er na de Quichotte, per slot van rekening de eerste roman in de wereldliteratuur, een rijke romantraditie in ons land zou zijn gegroeid. Het tegendeel is waar. De roman is in Spanje altijd een beetje verdacht geweest. Om waardering te verwerven moest hij in dienst van iets anders staan. Hij moest helpen om onze historie te begrijpen, ons nationale karakter te definiëren, de essentie van Spanje te vangen, het Probleem Spanje te benaderen. Dat alles leek mij belachelijk. Waarom niet het Probleem Paraguay? De dienstbare rol die onze schrijvers zich hebben laten opdringen heeft ertoe geleid dat onze negentiende- en twintigste-eeuwse poëzie zich in ieder opzicht met het buitenland kan meten maar dat het proza ver achterbleef bij wat er in Frankrijk, Engeland, Rusland of de Verenigde Staten in dezelfde tijd geschreven werd. Die dienstbaarheid vond haar voorlopig hoogtepunt in de kortstondige bloei van het sociaal-realisme tijdens de jaren vijftig en zestig, maar toen ik debuteerde was het 1971 en was die stroming al lang roemloos tenondergegaan. Franco was nog niet dood, dat zou nog vier jaar duren. Alleen daaraan kon je al zien dat die maatschappelijk bewogen literatuur niets geholpen had.”

Toch heeft uw collega Manuel Vazquez Montalban nog niet zo lang geleden over de staat van de huidige Spaanse literatuur verzucht: “Tegen Franco schreven wij beter.”

“Dat ben ik niet met hem eens. De politiek, de staatsinrichting beïnvloeden de kunst alleen maar in haar meest oppervlakkige aspecten. Of misschien moet je zeggen: ze beïnvloeden alleen maar heel oppervlakkige kunst. Talent onttrekt zich aan de politiek. Natuurlijk was het opheffen van de censuur heel goed en heel belangrijk, maar niet omdat we vanaf dat moment allemaal prachtige politiek getinte boeken konden gaan schrijven. Het betekende vooral dat dat niet meer hoefde. Zolang er censuur was, kreeg alles een politieke lading. Wanneer je bijvoorbeeld graag naar voetbal keek, kon je dat voor bepaalde vrienden maar beter verborgen houden want voetbal was door de overheid niet verboden en daarom rechts. Oppositie is soms ook een vorm van dictatuur. Maar wat was er op artistiek gebied al die tijd nu echt onderdrukt geweest? Toen in de tweede helft van de jaren zeventig alle belemmeringen verdwenen, ontdekten we dat er in geen enkele bureaula onuitgegeven meesterwerken hadden liggen wachten. Diezelfde ervaring heeft men de afgelopen twee jaar in Midden- en Oost-Europa opgedaan.

“Ik ben natuurlijk iets jonger dan Vazquez Montalban, die bovendien een overtuigd communist is - of wàs, ik weet niet hoe hij er nu precies over denkt. Mijn generatie was ook tegen Franco, maar we maakten onderscheid tussen onze burgerplichten en ons kunstenaarschap. We hadden het failliet van het sociaal-realisme gezien. Ik was vastbesloten om het heel anders te doen. Inmiddels ben ik er achter, dat mijn keuze voor Hollywood-achtige personages en het vertelritme van de Amerikaanse film toch wel iets met de dictatuur te maken hadden. Ik ben opgegroeid in een heel armoedige, grauwe samenleving. Het moment dat op zaterdagavond de lichten uitgingen in de buurtbioscoop was echt een verademing, het hoogtepunt van de week. Maar dat besefte ik niet tijdens het schrijven, dat heb ik me pas veel later gerealiseerd.”

De Spaanse literatuur staat er nu dus fantastisch voor.

“Ik geloof oprecht dat er op dit moment in Spanje beter wordt geschreven dan in Italië of Frankrijk. Misschien is onze literatuur zelfs wel interessanter en in ieder geval ambitieuzer dan de Engelse, al heeft dat land het voordeel dat er steeds weer jonge auteurs zijn die voortkomen uit de uitheemse culturen van het Gemenebest en heeft de ambachtelijke kant van het schrijven er nu eenmaal een erg hoog peil bereikt. Voor het eerst sinds de Burgeroorlog bloeien de letteren in Spanje, al betekent dat natuurlijk niet dat er veertig of vijftig goede schrijvers zijn. Er zijn er misschien vijf of zes: Juan Benet, Eduardo Mendoza, Felix de Azua, Juan José Millas, Antonio Muñoz Molina, Alvaro Pombo - dan heb je het wel gehad. Vijf of zes goede schrijvers, dat is heel erg veel voor een land. Iedereen die zegt dat er meer zijn, al dat gepraat over een "Spaanse boom' in de letteren - dat is propaganda en reclame. Dat interesseert me niet zo. Dat is waar de presentatie van de Spaanse uitgevers tijdens de Buchmesse over gaat.”

Toch gaat u daar ook naartoe, samen met wel zeventig anderen.

“Je kunt je er niet helemaal aan onttrekken. Het is nu eenmaal zo, dat het uiterlijk van de dingen er tegenwoordig veel toe doet. Hoe het glimt. Dat het een trend is. Daar hebben we ons allemaal min of meer bij neergelegd. Maar belangrijk is het niet. Uiteindelijk blijft er van alle opwinding over artistieke modes en stromingen niks over. Een enkel boek en een paar schilderijen die met het spektakel eromheen niets van doen hebben gehad. In de jaren tachtig kon je overal in Europa horen spreken over de Movida van Madrid, die zo'n geweldige explosie van creativiteit zou zijn. Wat is daar nu uiteindelijk het resultaat van geweest? Wat leuke jurkjes, die al niemand meer wil dragen. Misschien een film van Pedro Almodovar, die nu al een gedateerde indruk maakt. En verder de herinnering aan al die nachten die we tot de volgende ochtend op de terrassen en in de cafés, de discotheken en de restaurants hebben doorgebracht. Maar zelfs dat was op zichzelf niks nieuws, niks bijzonders. Al meer dan honderd jaar wordt er in Madrid nauwelijks geslapen omdat iedereen er 's nachts de deur uit gaat. Toevallig heb ik net zitten lezen over een poging van het gemeentebestuur om het sluitingsuur van de cafés verplicht op vijf uur 's ochtends te stellen. Woedende reacties, honderden stukken in de krant, vooral van kunstenaars en intellectuelen. Het ging niet door. Dat was in 1910.”

Spaanse schrijvers staan nog steeds iedere dag in de krant.

“Dat is een traditie die ik mooi en nuttig vind. Het is heel goed dat we onmiddellijk reageren op de dingen van de dag, op de actuele politiek, op de merkwaardige kanten van onze samenleving. Zolang we er tenminste voor zorgen dat we onze subjectiviteit niet verliezen. Wanneer we als schrijvers in de krant publiceren is dat een verrijking, maar wanneer we journalisten worden kunnen we het net zo goed laten. Dat gevaar zit er in, vooral nu er steeds meer geld te verdienen valt in de media. Het is verleidelijk om je aan te passen. De ontdekking van het geld is bij ons nog maar van zeer recente datum. Een paar jaar geleden werd het nog onfatsoenlijk gevonden als je jezelf aan de meestbiedende verkocht. Nu is dat heel gewoon. Je kunt in gezelschap best zeggen: "O, maar dat heb ik alleen maar voor de duiten geschreven', of: "In dat blad sta ik alleen maar omdat het zo goed betaalt'. Ik vind het jammer, maar het is wel logisch. Schrijvers hebben natuurlijk geen fraaier karakter dan de maatschappij die hen omringt. Ik vermoed zelfs dat ze over het algemeen slechter zijn. Het zijn doorgaans humeurige, zelfingenomen en egocentrische lieden. Ik maak voor mijzelf geen uitzondering.”

U klinkt somber over de Spaanse samenleving.

“Dat was ik vijf of misschien zelfs drie jaar geleden nog niet. Het leek tot voor kort ook allemaal zo snel en probleemloos te gaan in dit land. We veranderden in een oogwenk in moderne mensen, in liberale Europeanen. Zes maanden na de dood van Franco hadden we het gevoel dat hij al tien jaar begraven was. Nu blijkt dat die snelle veranderingen veel oppervlakkiger zijn geweest dan we hebben gedacht. In zijn diepere lagen is dit land nog steeds versteend. Erger nog: het lijkt of de laatste tijd het onderste weer boven komt, of de droesem niet op de bodem kan blijven. Ik wil de schuld niet aan onze socialistische regering geven, zij bestaat uit jonge mensen die in hun leven nooit iets anders hebben gekend dan de ruwe omgangsvormen van de dictatuur. Zij mogen er dan een andere ideologie op na houden, de stijl van het fascisme heeft hen doordrenkt. Oudere mensen hebben meer herinneringen en daarom misschien wel betere manieren.”

Dit klinkt bijna als kritiek op de fameuze Spaanse "transitie', de vreedzame overgang naar de democratie waarbij werd afgesproken om geen oude rekeningen te vereffenen.

“Er is een verschil tussen vergeven en vergeten. Het stoort me dat Spanje een land zonder geheugen is geworden. Het lijkt alsof de feiten niet meer accumuleren, maar verdwijnen. Alsof herinneringen er niets toe doen. Voor sommige mensen is dat een uitnodiging om te liegen. Ze zeggen nu dat ze altijd al democraat zijn geweest. Een bekende schrijver vertelt bijvoorbeeld dat hij in de jaren zestig "in ballingschap' verkeerde, terwijl hij gewoon een leerstoel had aan een Amerikaanse universiteit. Ik vind dat je dat niet zomaar kunt laten passeren. Dan sta je toe dat de woorden hun betekenis verliezen. Mijn vader is dit overigens niet helemaal met me eens. Hij was een republikein, heeft na de oorlog vastgezeten, mocht niet lesgeven en heeft onder Franco nooit een overheidsbetrekking aanvaard omdat hij weigerde trouw aan het regime te zweren. Hij heeft dus recht van spreken. Tegenwoordig is hij lid van de Koninklijke Academie en hij schrijft in een conservatieve krant. Hij vindt dat we het verleden nu maar even moeten laten rusten. Tot alle betrokkenen dood zijn misschien.”

U heeft zelf in het dagblad El Pais over dit onderwerp geschreven. Maar bij de voorbeelden die u gaf, vermeed u namen te noemen. Dat doet merkwaardig aan.

“Ik wil geen klikspaan zijn en wanneer je de hele maatschappij te lijf gaat, word je een kluizenaar. Het gaat er ook niet om, mensen aan de schandpaal te nagelen. Er zijn zelfs vroegere fascisten voor wie ik waardering heb, omdat ze in de jaren vijftig al hebben ingezien dat ze een foute keuze hadden gemaakt. Die verdienen meer respect dan degenen die altijd hun mond hebben gehouden. Wat mij stoort, is dat ons gezamenlijke verleden taboe is verklaard en dat er nog zoveel zaken die onder de dictatuur hun beslag hebben gekregen onbespreekbaar en onaantastbaar zijn. Onze literaire hiërarchie bijvoorbeeld. Dat Camilo José Cela zich na de oorlog als informant bij de geheime dienst heeft aangeboden en dat hij jaren als censor heeft gewerkt stoort mij niet eens zo zeer. Hij ontkent dat ook niet. Maar vier jaar geleden heb ik eens een artikel geschreven waarin ik mij op literaire gronden afvroeg waarom hij eigenlijk nog steeds de Spaanse kandidaat voor de Nobelprijs was. De man had immers al dertig jaar geen behoorlijk boek meer geschreven en zijn invloed op andere Spaanse schrijvers is zo goed als nihil. Het was een behoorlijk beargumenteerd betoog. Toch heb ik het met trillende handen ingeleverd. Ik wist dat ik een doodzonde beging. Nadat het gepubliceerd was, is me ook van alle kanten gevraagd of ik gek was geworden. Zoiets doe je bij ons niet. Men dient nog steeds zijn plaats te kennen. Wie eenmaal een figuur is in onze letterkunde, valt niet meer van zijn voetstuk en wie een andere plaats is toegewezen, moet daar heel lang tevreden mee zijn. Zo word ik na twintig jaar nog steeds beschouwd als een "jonge schrijver'.”

Wat gaat de jonge schrijver in de volgende twintig jaar doen?

“Ik weet het niet, al ligt het voor de hand om te zeggen: schrijven. Dat heb ik tot nu toe immers veel gedaan. Maar ik maak geen grapje als ik zeg dat ik me nog steeds geen schrijver voel. Na mijn eerste twee boeken heb ik zes jaar niets geschreven. Toen heb ik twee experimentele romans gemaakt, waarvan vooral het tweede, El Siglo, mijzelf zeer beviel. Het werd door de kritiek niet eens aangevallen, maar volstrekt genegeerd. Uit koppigheid heb ik enkele van de karakters uit El Siglo opnieuw tot leven gewekt in El hombre sentimental. Dat werd opeens een succes. Tussendoor heb ik altijd veel vertaald: Faulkner, Hardy, Tristram Shandy van Laurence Sterne. Ik meen het echter wanneer ik zeg dat mijn privéleven altijd belangrijker dan het schrijven is gebleven. Als je gedachten teveel in beslag genomen zijn door een andere persoon, door een interessante studie of door het leven in de stad - dan schrijf je niet. Dat lijkt me geen ramp. Cervantes heeft na zijn eerste publikatie twintig jaar niets in druk laten verschijnen en in het voorwoord van zijn volgende boek verantwoordde hij dat tegenover de lezers met de simpele woorden "en vervolgens had ik andere dingen te doen'. Dat herinner ik me graag.”

    • H.M. van den Brink