Ook de leraar wordt Europees

NOORDWIJKERHOUT, 4 OKT. Kan een leraar uit de voormalige DDR die via een uitwisselingsprogramma een poosje in Nederland lesgeeft, hier aarden? De leerlingen in Nederland lijken over het algemeen minder “zum lernen bereit” dan die in zijn vaderland. Is een Nederlandse leraar die een paar maanden in Frankrijk lesgeeft in staat zich aan te passen aan de streng hiërarchische verhoudingen op de scholen daar? Moet er afstemming van de lerarenopleidingen in Europa komen, zodat deze problemen in het Europa zonder grenzen op den duur niet meer voorkomen?

Over deze en andere vragen komen aan de orde op een gisteren begonnen EG-congres in Noordwijkerhout. Zo'n honderd wetenschappers, vakbondsmensen, beleidsmakers en leraren houden zich daar drie dagen lang bezig met "het beroep van leraar in Europa'.

Volgens minister Ritzen, die gisteren als voorzitter van de Europese ministers van onderwijs de conferentie opende, spelen in de twaalf lidstaten dezelfde problemen rond het leraarschap. Er is te veel regelgeving, te weinig geld, de vakbonden zijn gefixeerd op uniforme arbeidsvoorwaarden en blokkeren zo bijvoorbeeld beloning naar prestatie. De lerarenopleidingen voldoen niet meer aan de eisen van de tijd, na- en bijscholing ontbreekt te vaak en bij dit alles stelt de maatschappij steeds hogere eisen aan de leraar. “Moeten we spreken van een crisis van het leraarschap?”, zo vroeg Ritzen zich af.

Volgens R. Carneiro, minister van onderwijs van Portugal en vanaf 1 januari 1992 EG-voorzitter, kan een grotere nationale en internationale mobiliteit in het onderwijs bijdragen tot een sterkere positie van de leraar. “Het zelfrespect van leraren kan er door toenemen. Dat gevoel zijn ze kwijt nu ze niet meer die fundamentele rol in de maatschappij spelen als, zeg, veertig jaar geleden. Toen waren ze leraar in de brede zin, de onderwijzer waar men ook heen ging voor persoonlijk advies. Nu zijn ze instructeurs geworden, opgesloten in hun klaslokalen”, aldus Carneiro. Hij deed in opdracht van OESO en UNESCO onderzoek naar de situatie van het onderwijs in zo'n twintig landen.

Carneiro: “Door hun het gevoel te geven bij de grootste beroepsgroep van de EG te horen (3,5 miljoen leraren) en aan dezelfde culturele erfenis te werken, kan de band met de buitenwereld weer enigszins hersteld worden.”

De Portugese bewindsman erkent dat mobiliteit ook negatieve kanten kan hebben. Social dumping bijvoorbeeld: buitenlanders vullen plaatsen op die zijn leeggevallen, omdat deze functies maatschappelijk niet genoeg gewaardeerd worden. Zo gingen Nederlandse onderwijzers vorig jaar op basisscholen in problematische wijken van Londen werken omdat er geen Britse leraren voor te vinden waren.

Ritzen hoopt dat het congres met concrete voorstellen voor verbetering van de positie van de leraar komt, die Nederland dan zal voorleggen aan de Raad van EG-ministers van onderwijs en wetenschappen op 25 november in Brussel.